Hollandse pagina Journalen vanuit de UK

De journalen zijn hier gepubliceerd in volgorde van verleden naar heden. Mijn huidige adres, sinds 7 mei 2017 is

Avalon 81 East Street TQ13 7AL Ashburton Newton Abbot Devon UK

Garden near my home 01-2016 (36).jpg

October 2015 Lunchtime, tijdens het werk in het Arboretum van Glencott House in Wookey Hole Somerset

Woensdag 3 Augustus 2016

Na een tijdje wonen in Somerset, ben ik inmiddels in Horrabridge beland, in Zuid-  West Engeland county Devon. Dichtbij de Moors van Dartmoor.

Nu ik een maand in Horrabridge woon, is er al een aardig verslag te schrijven. Nieuwe contacten leggen en bezigheden gevonden in het dorp. Lid geworden van een wandelgroep, een lunch-club en een handwerk-club, met net als in mijn vorige dorp, een aantal vrouwen die gezond verstand gebruiken en initiatief tonen.  

Een behoorlijk groot deel van de oudere bevolking leeft op de automatische piloot, zonder zich te bekwamen in internet en zonder zich op de hoogte stellen van wat er in de wereld gebeurt. Als de partner overleden is durft man of vrouw vaak niet alleen de wereld in te gaan en dingen te ondernemen. Wel zijn er talloze vrijw. werkzaamheden.

Het lot van eenzame oudjes, is regelmatig zichtbaar in het straatbeeld, niet veel anders als een loslopend patient van een psychiatrische inrichting, in het gedrag en uiterlijke verzorging. Zoals in zichzelf lopen praten en op pantoffels lopen, of in ochtendjas, tekenen van zelfverwaarlozing. De levensstandaard en de AOW is een stuk lager hier, vooral op het platteland. Het leven hier is duurder dan in Holland.

Behulpzaamheid daarentegen is er gelukkig redelijk veel, net als in Somerset, waar ik  1 jaar woonde. Familie staat hoger op het prioriteiten lijstje en zorg voor ouders, naast een drukke baan ligt veel op de schouders van de kinderen. Het lage uurloon dwingt velen tot meerdere jobs en inkomen-acrobatiek om e.e.a. op een rij te krijgen.

De gezondheidszorg ligt hier chronisch op apegapen, je krijgt hier in principe gratis gezondheidszorg  en dat heeft zo zijn nadelen. Tenzij je een individuele verzekering afsluit, met een goed inkomen, kan je veel zorg en behandelingen kiezen.

Gisteren vond ik een onthutsend artikel in de krant, een melding over anti-depressiva en anti-psychotica, die verstrekt worden aan dementerende oudjes in tehuizen, om de boel onder controle te kunnen blijven houden. Deze medicatie blijkt te leiden tot (blijvende) vermindering van mentale vermogens, als inname ervan is gestopt en een grotere kans op beroertes, blijkt uit een groot onderzoek. Maar genoeg over de  kommer en kwel.

Het aardige van deelname aan groepen in het dorp, is dat dit me een fiets heeft opgeleverd, afgelopen week. Want als Hollandse moet ik toch minstens een hebben, dacht een oudere dorpelinge. Ze haalde haar fiets van zolder en bood hem gratis aan! Dat geeft me vrijheid, met de vele  fietspaden die aangelegd zijn, waar vroeger de spoorlijntjes liepen. Die mooie spoorlijntjes zijn in de jaren ’60  opgeheven, iedereen heeft daar nu spijt van, want het verkeersnetwerk is zwaar beladen.

De Engelsen zijn druk met het vele transport. De hoge snelheid, aangemoedigd door een hoog alcohol-promilage in het weekend, leidt tot vele ongelukken. Ze rijden als gekken op 75 cm. afstand van mijn raam langs,  de centrale dorpsstraat (waaraan ik woon) wordt als doorgangsweg gebruikt. Het is de reden waarom ik hier slechts tijdelijk woon. Eind van dit jaar verhuis ik, alles is al rond wat nieuwe woonplaats betreft. Het is in een droger deel van Devon, met rode aarde, hoger gelegen en ten N. Oosten van het nationale park Dartmoor.Nu zit ik in het Z. Westen ervan.

Ik heb in de 2e week van mijn verblijf hier de voorzitter van het dorpsbestuur gebeld, met het verzoek om verkeersborden te plaatsen in het dorp, of verkeersdrempels aan te leggen. Omdat ik al een beetje ervaring heb met de hierarchische structuur, in de Engelse versie van Rommeldam, verwoordde ik mijn verzoek zo beleefd mogelijk, met net genoeg onderdanigheid dat ik het nog kon behappen. De eerste reactie die kwam, was “Dat is slechts verbeelding, persoonlijke ervaring, er staan borden aan de rand van het dorp”. Uhh… huhhh, was dat een antwoord op mijn vraag?

Wat stond me nu te doen? Snel nadenkend, kwam ik op het volgende “Het gaat me niet om mezelf, meneer, de veiligheid van iedereen in het dorp is er mee gemoeid. Er spelen kinderen op straat en er lopen veel mensen langs, het is vlakbij de brug en de dorpswinkel”

Zoals het in Marten Toonder’s Rommeldam is, zo is het in het echte leven ook, dorpsbestuurleden weten vaak niet wat er speelt, in hun dorp, omdat ze veelal buitenaf wonen. Als Engelsen thuis zijn dan is het motto “My home is my castle” met een brede gracht eromheen en de ophaalbrug omhoog, bij wijze van spreken. Oh wee, huisvredebreuk!

Even was het overdonderend stil. Ik luisterde grijnzend aan de telefoon. “Goed, ik zal het bespreken in de volgende vergadering” zei meneer. (Geloof het niet hoor). “Vriendelijk dank” zei ik. Dat was dat. Nu maar afwachten of het plaatsen van een simpel verkeersbord met het getal 30 erop, in rood, een te groot wereldwonder is voor het bestuur van Rommeldam. Ha! Wat zou er gebeuren als ik een bord zelf zou ophangen, met daarop het getal 30, met een smiley in de nul of een duiveltje? Gekkigheid hoor, ik ga gewoon verhuizen.

Mijn huisbazin heeft proestend geluisterd naar mijn verslag van het telefonisch overleg.   Ze zei “Gebruik maar zoveel mogelijk de studio in de tuin, als ik niet aan het werk ben.     Daar zit je rustig.” In de praktijk komt het er niet van, het is teveel een “zweethut” qua energie, het is een therapieruimte. Gelukkig ligt de tuin achter het huis en zijn de buren redelijk rustig. Aan de ene kant groeien er palmbomen in de tuin, met daaronder een nest spelende poesjes, die overal onder- en overheen klauteren. Schattig 10 weken oud.

Ik kan ze horen miauwen en grauwen in hun spel, soms gluur ik over de schutting, als ik het niet kan weerstaan om eventjes te kijken. Die buren zijn ook schatten en grote dieren- vrienden, met uitbundige bloemenpracht in voor en achtertuin. De andere buren haalden het in hun hoofd om op zondag !! de boot uit te testen. De buitenboord-motor ging aan en spuwde een kwartier lang lawaai, rook en stank door de buurt.

Op een gegeven moment vond ik het welletjes en liep achterom om er wat aan te doen. Ik vroeg de eigenaar, die op zijn boot aan het werk was, of hij de motor uit kon zetten.   Ik vertelde hem dat waar ik vandaan kom, de zondagsrust wordt gehandhaafd.             “Het heerschap wees op zijn kledij en zei “Wij Engelsen werken op zondag” niet geheel en al ontdaan van een uitdagende blik met “poe-poe-kijk mij eens.”wijzend op zijn overall.

Hij daagde me uit, Engelsen houden niet van berispt worden. “Ik ben de boot aan het verkopen” voegde hij eraan toe. “Dat heeft niets met mijn verzoek te maken” zei ik. Een vlammetje van woede rees omhoog, merkte ik, nu moest ik oppassen!

Ik liep weg van de plaats des onheils en riep nog na “Als je niet ophoudt met die herrie ga ik je boot saboteren” en dat meende ik meer dan goed is voor me. De dochter giechelde zenuwachtig. Dat was natuurlijk onverstandig van me om te roepen. Toch nog gehapt. Goed, even later zat ik weer in mijn tuin, enigszins natrillend. De herrie duurde tartend voort en toen ging de motor eindelijk uit. Dochterlief begon te gluren naar me, tussen het gebladerte van de magnolia boom.

Paps klom even later de trap op. Ik hoorde hem zeggen “Wil je ophouden met die herrie, we willen ook onze zondagsrust” volslagen kleuterig. Zijn dochter maande hem tot stilte en probeerde zijn woede-vlammetje te doven. Het was te dol voor woorden natuurlijk. Ik besloot tot het opsteken van de vredespijp, om even door de tuin te lopen, langs hun kant en riep “Dank je wel voor het uitzetten van de motor!”.

In zijn boosheidswolk had paps niet eens meegekregen wat ik zei en dochterlief herhaalde braaf mijn woorden. Toen was het stil, de rest van de middag. Afgezien van ingewikkeld ruzie-knutselwerk tussen dorpeling, om niks, is het verder redelijk okay om hier te wonen, voorlopig. Ik houd wat pannetjes op het vuur, vooral als het een nieuwe toekomst betreft in een vreemd land, dat begrijp je.

Ik leer al aardig de ins en outs van de Engelse cultuur en do’s and dont’s, hoewel ik me zo ongeveer dagelijks blijf verbazen. Van een muis een olifant maken, dat kunnen ze goed, zonder enige structuur in het gesprek. Logica en Engelse geest? Weinig!

Het huis is nog in stilte gehuld, op dit vroege ochtend-uur. Alleen Miles, de kater, heeft zijn stem laten horen en zijn eten gekregen. Ik ben een sixpack aan het aankweken, bij Miles, zodat hij zijn normale portie eten weer kan krijgen.  Nu bedelt hij constant, want op streng dieet. Dat moet van de dierenarts, zegt zijn bazin. Hmmmm! Dat weet ik nog zo net niet hoor. Van de weeromstuit krijg ik van al die acrobatiek met Miles, ook een strak frontje, ha!

Miles 07-2016 (4).jpg

Dit is Miles, tevreden na zijn ontbijt, komt ie me bedanken in mijn kamer. Het is een poes die zelf besluit of tie komt kopjes geven en spinnen op schoot, oogjes toe. Ik heb nog nooit een poezebeest gezien die zo vanzelfsprekend wil hebben wat ie lekker vind en niet begrijpt wat “Nee” is. Puur instinct, maar niet snel iets pakken, dat niet. Veel te koninklijk van bloed. Zo kan ie midden op de snijplank gaan zitten, klaar voor een hapje van iets wat heeeeel lekker ruikt. Geduldig, maar vasthoudend. Geen denken an, dat sixpack komt er an!

Horrabridge ligt in Dartmoor, binnen 10 minuten loop ik in een open landschap, zoals er hieronder een van te zien is. De wandelgroep neemt me mee naar afgelegen gebieden, in de auto, waar ik te voet bijna niet kan komen en we wandelen elke woe. ochtend 2 uur in deze wildernis. Ik hoor veel over de geschiedenis van dit natuurgebied en leer de namen van de Tors. Het is een Nationaal Park en bebouwing is uitgesloten. Ik hoop van harte voor altijd!

Hieronder zijn wat impressies van waar ik nu woon:

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Dartmoor op zijn mooist

dartmoor-06-2013-26

Neighbourhood Horrabridge 07-2016 (6)

image30046

image30047

image30048image30050

Een kleine oase midden in The Moors, langs een stille weg naar Tavistock.

Een van de potjes op het vuur, is een plan-in-de-maak om in een tot woning verbouwde schuur te wonen op een afgelegen boerderij, midden op Dartmoor, vlakbij Tavistock. Dat kan eind volgend jaar worden, als alles volgens plan verloopt.

Waar ik nu woon, in Horrabridge, daar kan ik blijven zolang ik wil, in principe. De verstandhouding met de familie (mams en 2 teenager-kids) is leuk en het wordt me gemakkelijk gemaakt waar mogelijk. Er is een hond en een kat, een tuin, alles bij elkaar een levendig boeltje.

Wordt vervolgd……

Crediton thatched home Alisone (3).jpeg

9 maart 2017

Na 3 maanden wonen in een op het oog mooi en gerieflijk huis, dat hierboven te zien is, in de foto, ben ik nu, sind 5 maart, in een prettiger huis beland in Zuid Devon. Een huis met meerdere bewoners. We delen interesses zoals natuur, tuinieren, bijenteelt, muziek, goede voeding, koken en onze bijdrage aan een prettige sfeer in huis. Er is veel gelach om elkaars komische doen en laten.

We hebben dat allemaal over ons, dat komische, het is een grappig toeval en een verademing, na de wat moeizame 3 maanden in Crediton, een nogal verlopen stad. Onze dansjes in huis gaan soepel, zelfs terwijl we op elkaars tenen trappen in het vinden van onze plek, onze draai, in huis.

De afgelopen maanden waren een wedloop met hindernissen, wat zoeken naar een kamer betreft. Wonderlijke ervaringen gehad soms, met hospita’s en hun woon-omstandigheden, bizar , hilarisch en schokkend soms. Het is voor Engelsen moeilijker om open te zijn over plan, gevoelens, keuze en om in gelijkwaardigheid een discussie te voeren met een vreemde.

De bijna dodelijke beleefdheid in Engeland, met een ingeboren schaamte, zorgen soms voor misvattingen en ongemakkelijk voelen. De buitenkant kan heel anders zijn dan de binnenkant. De bekende rhinoceros op de tafel is rijkelijk aanwezig.

Je kan niet gemakkelijk met objectiviteit uit je eigen probleem stappen als je er middenin zit en daar heeft zowel de medische industrie als de overheid een harde noot in te kraken hier. Negeren vanuit ongemakkelijk voelen, met het idee dat het dan niet bestaat is een hobby hier waar ze danig last van hebben tegelijkertijd.
Nu ja, in mijn ogen dan he? Ik moet er niet meer last van hebben dan zijzelf, die  keuze heb ik. Leermomentjes genoeg, voor een eigenwijs Hollands vrouwmens dat zich een nieuw leven eigen maakt in de Engelse cultuur van het platteland.

De ongemakkelijkheid en moeite met expressie van mening etc. wordt in Engeland met dit woord uitgesproken “inhibition” dat is op z’n Hollands “ingehoudenheid”.      Dit betekent voor mij, als vreemdeling, dat het lezen van lichaamstaal en  gezichtsuitdrukking veel hulp biedt om de werkelijke bedoeling te vinden, als ik in contact ben met een Engelse burger.

Kritiek van anderen wordt als heel pijnlijk ervaren, zelfspot is er daarentegen des te meer, dat is de kracht van Engelse humor. Engels volk weet heel goed hoe ze in elkaar zitten, dat kan je opmaken uit de humor. Maar oh wee, als ik een kritische noot verpak in over iemand die me nauwelijks kent, in gezelschap, dat wordt heel moeilijk goedmoedig ontvangen. Behalve aan de bar in een pub, met mannen onder mekaar.

Daarbij speelt standsverschil in Engeland nog steeds een rol, veel meer dan in Holland. Dit is de reden waarom er zo’n groot verschil is tussen rijk en arm, in Engeland. De families met oud geld zijn nog RIJKelijk aanwezig, wonend op hun landgoed met grote oppervlaktes park en landerijen eromheen.

Dit zijn de afstammelingen van de “lords en ladies” uit de tijd dat Engeland een wereldrijk was, onder koningin Victoria. De typisch koele elegante afstandelijkheid in zgn. welopgevoede vrouwen hier komt snel aan haar eind, zodra ze een voet in de pub zetten en uren later  beestachtig aan hun glas hangen. Tja, de schijn ophouden, dat hou je niet lang vol op den duur. Vandaar dat drinken hier zo populair is, laad maar flink in, het is een uitlaatklep. Ik zelf zoek het daar niet in.

Er is een tendens in Engeland aanwezig, dat wie rijk is, met name de oude adel, vindt dat het “volk” de eigen sores maar moet uitzoeken. De investering in medische zorg en onderwijs ligt op een heel laag pitje. De gevallen van dood door vergissing en tekort aan personeel, zijn talrijk en afgelopen jaar werd ontdekt dat veel materiaal als bedden, rolstoelen en ander nuttig hulp-materiaal op de vuilnisbelt wordt gegooid. Dat doen velen trouwens, goed spul weggooien. Want het nieuwste van het nieuwste  is trend veelal.

In Nederland is hergebruik en recycling veel meer onder de aandacht dan hier. Aandacht voor het onderhoud aan openbare weg of busstations is eveneens hard afgenomen sinds de jaren ’90. Net als in Nederland wordt er flink bezuinigt met het oog op belangrijkere uitgaven die het Engelse volk moeten dienen. Of de burger er wat van merkt in de portemonnee is zeer de vraag. Ik weet bijna zeker dat het in Nederland niet veel anders is.

Als je hier in een lokale bus rondtoert rammelen je botjes flink door elkaar,  met het vele onzorgvuldige asfalt-lapwerk in de weg en de kuilen.Het toenemende aantal bedelaars in steden en dorpen liegt er niet om. Alas, dat is de huidige, wat donkere kant van Engeland. Er is ook veel lichts aanwezig en dat is de toegankelijke houding in vele Zuidelijke Devoneans, waar mee en waar tussen ik nu woon.

Plus de prettige mix van toerisme en lokale economie die voor comfort en welstand zorgt, plus de kunstzinnige activiteiten en inspanningen van de dorpsgemeenschap in allerlei “charity work” en gezelligheid-zoekerij. In 3 dorpen heb ik dit nu mee mogen genieten en het ligt me veel beter dan het stadsleven.

En daarbij komt de pracht van de bosrijke natuur van Devon, de landerijen met velden rode aarde, de variatie van landschappen zoals Dartmoor, Exmoor en de Tamar Vallei. Buitendien is er veel kust in Devon, zowel in het Noorden als het Zuiden, waar ik nu woon in een “happy home” buiten het centrum van deze kleine stad Totnes. 

De nabijheid van treinstation en vele busdiensten is prettig. Ook i.v.m. reis-plannetjes van vrienden uit Horrabridge en Wookey Hole die op bezoek komen of die me verwelkomen in hun dorp. De lente komt eraan!

Hier is mijn adres: 23 Vurze Road Totnes TQ9 5YE Devon UK (tot 7 mei 2017)  Na een week zei mijn intuitie me dat ik wel eens snel zou kunnen vertrekken. Tja, dat zijn van die ingevingen… voorbereiding op…  Na een maand vroeg de huisbaas me te vertrekken, hij wilde zijn privacy terug. Niets mis met onze verstandhouding, we hebben veel gelachen.  Tja… Totnes hippie trippie town. Er bestaat een term die  buiten Totnes nogal eens gebezigd wordt: “typical Totnessie”

Foto’s volgen nog en dit verhaal wordt ook vervolgd…..

Een reisje terug in de tijd……het jaar 1999

Verhalen die me door een eenzame zomer hielpen.

De eerste serie van 13 verhalen hier, hebben betrekking op mijn jeugd. In die zomer van 1999 voelde ik me ongemakkelijk tussen mensen en wist niet hoe ermee om te gaan. Ik wist niet hoe met mezelf om te gaan….. veel oud zeer kwam op en ik besloot om over mijn jeugd te schrijven en de verhalen een “happy ending” te geven. Niet om te vluchten voor verdriet en pijn, maar om juist zo er mee om te kunnen gaan. Al schrijvend in een bos, onder de eikebomen, ver van alles en iedereen. Het hielp!

1. DE SCHOENEN VAN DE DOMINEE.

Het gerinkel van bestek klonk in de keuken: de lange tafel werd gedekt voor het zaterdagavond-eten. De grote pan met macaroni stond op het fornuis. De flessen met bloempap stonden op het aanrecht klaar: het toetje, met naar keuze stroop of basterdsuiker.  “Thuis komen….. eten!” klonk het bij de keukendeur.

Van alle kanten stormden de dominees-kinderen de keuken binnen. Met veel gekletter werden de krukjes van onder de tafel te voorschijn gehaald. De domineesvrouw zette de pan op tafel  en iedereen wachtte tot vader aan het hoofd van de tafel was gaan zitten. “Eerst even tellen”, zei de dominee en hij begon de “engeltjes met een b ervoor” één voor één aan te wijzen: Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen…..  “Ja, ze zijn er allemaal, handjes vouwen en oogjes dicht.”

Het gebed voor de maaltijd eindigde met een in recordsnelheid gepreveld: “heerzeegdeezpijsame” door alle domineeskinderen, die daarna meteen op de pan aanvielen. “Oh, haal jij nog even de piccalilly uit de kast”, zei de domineesvrouw tegen Mieneke, de jongste dochter van het stel.

Het geluid van de opscheplepel klonk door de keuken en “Jij hebt veel te veel opgeschept!”  of: “Hee, laat ook wat voor mij over!”De linkshandigen raakten in een elleboogstrijd verwikkeld met hun linker buur, zo dicht zaten ze naast elkaar aan tafel.

Het was alsof een troep hondjes om een kluif vocht. Onder de tafel werd geknepen en met voeten getrapt om het territorium af te bakenen. Na de maaltijd en het Bijbelverhaal, vroeg de domineesvrouw:“Wie hebben de beurt om de afwas te doen?  De twee oudste meisjes hadden corvee, die avond.

Iedereen ging van tafel en de twee zusjes pakten het tafel kleed bij de 4 hoeken, vouwden ze naar binnen en droegen de afwas via de keukendeur naar het schuurtje achter het huis.“Zo, ik neem de borden, doe jij de toetjesbakjes?” vroeg de oudste van de twee.

“PATS…….” daar ging een schaaltje aan diggelen. “KRAK…….” twee borden tegelijk tegen de muur. Even later vlogen de serviesscherven in het rond. Het stenen muurtje van de schuur was perfekt: uit het zicht en ver genoeg bij de buren vandaan, zodat die het niet hoorden. Elke zaterdag was het raak: lekker met servies gooien.

Er was altijd reserve in huis voor de Zondag en in de week erna kocht de domineesvrouw weer 2e-hands servies als vervanging. Zo hadden ze afwisselend borden met bloemetjes of oude hotel borden met een gouden randje en een kroontje. Na het “opruimen” van de afwas had de zaterdagavond nóg een ritueel in petto: Schoenen poetsen! Het oudste meisje mocht als enige ook de schoenen van haar vader doen:

Zwarte leren schoenen met veters, waarmee de dominee, tweemaal op Zondag, vóórin de kerk naar de preekstoel zou lopen, met een zwart-grijs gestreept domineeskostuum daarboven. De domineeskinderen en hun moeder zaten altijd op de eerste rij: een toonbeeld van deugdelijkheid.

Het oudste meisje vond de geur van schoensmeer heerlijk en ‘s zaterdags zat ze samen met haar broers en zusjes bij de mand met potjes, borstels en doeken.  De schoenen die het mooist glommen mochten op de schoorsteenmantel.

En zó stonden elke zaterdagavond de schoenen van de dominee tussen de pendule en de bloemenvaas uit Friesland. Alle kinderen kregen na het schoenpoetsen een dropveter en mochten plaatjes luisteren van Mahalia Jackson en Henry Belafonte.  Op het laatst zongen ze hun schoenpoetslied begeleid door het harmonium:

“Elke week staat er een paar Zwart en glimmend bij elkaar Ze krijgen steeds de eerste prijs Het is Marietje Eigenwijs Die poetst als de beste Zonder schoensmeerreste….. Op haar hoed krijgt zij een pluim Kijk…. het zwart zit op haar duim!”

  1. EEN ZOEN VOOR DE LIEVE DAME.

Eens in de zoveel tijd was er een kerkeraadsvergadering aan huis bij de dominee.Voor Marietjes gevoel zat er dan een lange rij mensen, waar geen eind aan kwam. Die moest ze  allemaal een handje geven. Ze voelde zich vreselijk verlegen en liep met kloppend hartje de kamer binnen. Ze gaf werktuig lijk een hand en keek nauwelijks degene aan die háár een hand toe stak.

Opeens stond ze voor een deftige dame met zilver grijs haar. Dat was de mevrouw van het snoepwinkeltje, die altijd    rolletjes drop uitdeelde aan haar! Marietje vond haar heel lief en wijs en zómaar sloeg ze haar armpjes om de hals van de oude dame en gaf haar een dikke zoen. Iedereen barstte in lachen uit toen ze daar zó stond, met het zilveren haar kriebe lend in haar gezicht, de geur van Eau de Cologne in haar neus.

Ineens voelde ze zich vreselijk beschaamd en dacht dat ieder een haar uitlachte! Ze vloog de kamer uit en stond in de gang, helemaal verward en bang. Ze durfde dáár nooit meer naar binnen! Marietje verstopte zich voor iedereen en dacht dat ze nu vast wel praatten, over hoe raar zij was.

Het lachen klonk nog lang in haar oortjes na en ze kromp van binnen in elkaar. ‘s Avonds laat, toen het weer rustig was geworden in huis, kwam de domi neesvrouw nog even naar Marietje’s bedje. Ze zag dat Marietje nog wakker lag en begreep heel goed hoe ze zich voelde.

“Marietje, je bent heel erg geschrokken hè?, toen je die me vrouw een zoen gaf” zei ze en legde haar hand op Mariet je’s hoofd je. “Ja mama”, zei Marietje,”ze lachten me allemaal uit!”

“Weet je wat ik denk waarom ze lachten?” vroeg de dominees vrouw, “omdat ze verlegen werden, dat jij zo lief was. Ik denk dat ze allemaal zo’n dikke zoen wilden krijgen van jou.” “Hebben ze niet gezegd dat ik een raar meisje ben?”, vroeg Marietje met grote ogen.

“Nee hoor”, zei de domineesvrouw, “ze glimlachten nog een hele poos, nadat jij de kamer was uitgerend.”“Ben ik dan niet stout geweest?” vroeg Marietje verbaasd. De domineesvrouw pakte Marietje vast, knuffelde haar en zei: “Je bent juist heel lief, ik vind het ook heel dapper dat je die mevrouw een zoen gaf, niet iedereen durft dat zomaar te doen.”

Marietje zuchtte van opluchting en sloeg haar armpjes om haar moeder heen. Die nacht sliep ze als een roos en droomde van zilveren krulletjes die kriebelden in haar gezicht.

3.EEN DAGJE NAAR HET STRAND.

In de zomer, als de domineeskinderen “grote vakantie” hadden, was een dagje naar het strand voor Marietje een echt feest. Als de domineesvrouw ‘s morgens vertelde dat ze allemaal naar Hoek van Holland gingen, was Marietje opgetogen. Lekker in de zee springen en met zand spelen! Natuurlijk gingen ze eerst een heleboel boterhammen smeren en limonade maken.

De schepjes en emmertjes werden opgetrommeld en de wollen badpakken gingen vast aan onder de kleren: dat kriebelde vreselijk. De karavaan vertrok naar het station en in een half uurtje zaten ze op het strand:

Op een oude deken tussen de andere badgasten, die ook hun bedoeninkje uitstal den. Insmeren met zonnebrandolie was het eerste ritueel en er waren heel wat kleffe handjes als dat klaar was. De dominee wilde dat de kinderen altijd in kleine groepjes samenbleven: één van de oudsten met een paar kleintjes mocht naar de zee.

En regelmatig moesten ze hun vader vertellen waar iedereen was. Marietje vond dat ze een houten kruis moesten hebben op hun plekje, met de onderbroeken eraan als vlaggen, dan kon ze het gemakke lijker vinden als ze terugkwam van de zee.

Wanneer ze hongerig waren geworden van de zeelucht, aten ze de boterhammen, meestal gekruid met zand en dronken warme limonade. Aan het eind van de dag was iedereen moe en rozig, dan kregen ze een ijsje, waarvan Marietje dromerig liep te genieten in de karavaan, die op wegging naar huis.

Een enkele keer gebeurde het wel dat het stranddagje in duigen viel: Marietje huppelde door de gang met haar tas, badpak al aan en kon bijna niet wachten.    Opeens kwam de domineesvrouw dan vertellen dat het niet door ging en ze liep  weg zonder uitleg.

Marietje kreeg altijd het gevoel dat vader en moeder ergens ruzie over hadden en dat ze dáárom niet gingen. Ze voelde zich dan als een ballonnetje leeglopen en was in de war omdat ze zich helemaal ingesteld had op een dagje uit. Dat kón ze niet begrijpen: eerst wèl en dan toch niet!?

Ze werd heel boos en als niemand haar zag trok ze heel hard aan haar haren, zodat het erg pijn deed. Dan werd het weer rustig in haar hoofd, ook al stonden de traantjes in haar ogen. Op een keer was het weer zover en Marietje stond op de trap, boos en verdrietig.

Opeens stoof de dominees vrouw door de gang, zonder Marietje te zien en sloeg de keukendeur met een klap achter zich dicht. Even later kwam de dominee tevoorschijn, liep tot de keukendeur en aarzelde met een rood hoofd.

Toen ontdekte hij Mariet je en keek verschrikt naar haar  gezichtje, dat ook rood was. Marietje zei, bijdehand en boos: “Nu zien we er allebei roodverbrand uit, terwijl we niet eens naar het strand zijn geweest!” De dominee barstte in lachten uit en zei, terwijl hij op haar toeliep:

“Oh, oh, wat kan jij een grappig gezicht trekken als je boos bent”. Hij ging zitten op de trap en pakte Marietje’s hand vast. “Vind je het zó erg dat we niet gaan?”, vroeg hij. “Ja”, zei Marietje, “mama zei toch dat we gingen, vanochtend aan tafel? Waarom gaan we dan niet?”

De dominee was even stil en zei toen: “Soms veranderen plannetjes weleens, ikzelf vind dat ook niet leuk”. “Nou”, zei Marietje, “dan moeten jullie dat er maar bij zeggen voortaan, anders trek ik nog eens al mijn haren uit mijn hoofd!”

De dominee pakte de twee vlechtjes van Marietje vast en trok er zachtjes aan. “Zien we jouw mooie vlechtjes dan niet meer, met de rode strikken? Dat zou ik wel heel jammer vinden”.

Marietje zei kattig: “Dan moeten jullie maar geen ruzie maken als we naar het strand willen”. Het gezicht van vader werd weer rood en Marietje keek er zwijgend naar. “Zal ik mama vragen of ze een kusje wil?”, vroeg hij. “Ja, ja, alstublieft en dan is ze misschien weer vrolijk en wil ze toch wél naar het strand”, riep Marietje blij.

Ze sprong van de trap en trok vader mee naar de keuken. “Ja, maar jij moet hier wachten in de gang” zei hij en liet Marietje achter, terwijl hij de keukendeur opende en achter zich sloot. Marietje luisterde aan de deur en hoorde zacht gemurmel van stemmen en toen was het stil.

Ze ging weer op de trap zitten, vol verwachting: misschien gingen ze toch nog!     Even later ging de keukendeur open en kwam de dominee de gang in lopen. Marietje keek met grote ogen naar zijn gezicht en zag dat het opgelucht keek. Ze durfde niets te zeggen en zag vader naar de kapstok gaan.

Hij haalde de tas met schepjes en emmertjes tevoorschijn en liep ermee naar Marietje, die nog op de trap zat. “Wil jij deze dragen straks?”, vroeg de dominee met glunderende ogen. Marietje sprong in één keer naar beneden en haar vader kon haar nog nèt in zijn armen opvangen.

4. DE WIJDE WERELD IN  ……  OP ÉÉN OOR.

Van tijd tot tijd kwamen de domineeskinderen bij elkaar op een nachtelijk uur. Er was zóveel te vertellen en verontwaardiging te delen, waarover ze in de “grote mensenwereld” hun hart niet konden luchten.                                            

 Met elkaar, liggend, zittend of hangend als apen in de stapelbedden, spraken ze zich erover uit dat het tijd was om weg te lopen. Net als in het sprookje van Klein Duimpje en zijn broers en zusjes, met dit verschil dat de domineeskinderen uit zichzelf weg wilden gaan, ook al voelden ze zich ergens toch ook in de steek gelaten.

Er waren vast wel ergens vriendelijke mensen op de wereld, dachten ze, die hen wilden verzorgen. Een plan werd gemaakt: om 5 uur zouden ze allemaal heel zacht jes opstaan, zich aankleden en een bundeltje kleren bij elkaar zoeken om mee te nemen.

Dan gingen ze naar beneden en maakten in de keuken, van 9 theedoeken en stokken, hun knapzakjes klaar. Daarin gingen de kleren, wat proviand voor onderweg en een onmisbare knuffel. Via de achterdeur zouden ze weggaan, door de steegjes tussen de achtertuin tjes, en dan….. de wijde wereld in!

Heerlijk het avontuur tegemoet, eindelijk vrij van alles wat niet mocht en wel moest. Opgelucht en met een spannend saamhorigheidsgevoel gingen ze ieder naar hun eigen bed. De nachtrust daalde neer over de 9 kinderhoofden en het was stil in huis.                                                       

En ‘s morgens, als de domineesvrouw hun kamertjes binnenkwam en de gordijnen openschoof en de zon al aan de hemel stond? Dan waren ze het allemaal weer vergeten!

5.“IK KAN AL  ZWEMMEN …..   ALLEEN ZÌNK IK NOG!”

Marietje kreeg zwemles! Het zwembad, dat gevuld was met water van de aangrenzende “Nieuwe Waterweg”, in Maassluis, had 3 baden:

Het “pierebadje”, het kinderbad en “het diepe”. Het zwembad was een hoog ommuurde kuil en de kleedhokjes bovenin waren van hout, met klepperende houten deuren. Als Marietje zich verkleed had liep ze een brede stenen trap af naar het water. Bij “het diepe” waren een lage wip, een middelhoge wip en een hoge wip.

Marietje keek vaak naar de helden, die van de hoge wip het water indoken, ze griezelde, maar vond het ook prach tig als ze heel lang op de plank bleven springen, tot deze heel ver doorboog en vervolgens in een boog naar beneden stort ten.

Ze wachtte altijd af, of ze weer boven water kwamen, soms was dat heel ergens anders, net zoals futen dat doen. Nu mocht ze zelf ook in het diepe, met zwemles, en ze lette goed op wat de badmeester zei. Ze wilde het gauw kunnen!

De badmeester had een heel lange stok, met een haak aan het eind, die hij onder het hoofd van de kinderen hield als ze op hun rug leerden zwemmen. Marietje vond water in haar neus helemaal niet leuk, als ze geen vaste grond onder haar voetjes had. Het water was donker en ze kon nooit zien wanneer iemand “onder” was.

Daarom waren er veel botsingen en voelde Marietje vaak voeten tegen zich aan trappen, waarvan ze niet wist bij welk hoofd ze hoorden. Dan wist ze niet wie ze kwaad moest aankijken. Nu ze zwemles kreeg hoefde ze gelukkig niet steeds langs de kant te spartelen, waar het glibberig groene wier aan de wanden groeide.

Na een paar zwemlessen was ze op een middag in haar ééntje aan het oefenen in het kinderbad. Ze merkte dat ze de arm- en beenslag al tegelijk kon:

Drie keer achter elkaar en dat ze daarná onder water ging met haar hoofd. Ze ploeterde langs de kant en greep zich steeds aan de reling vast om uit te rusten. Ze voelde zich heel trots: ze kon zwemmen! Ze ging ook best hard vond ze en ze hoopte dat iemand het zag.

Toen ze moe was geworden, ging ze voldaan naar huis en toen ze zag dat tante Mien er was, riep ze: “Ik kan al zwemmen….. alleen zink ik nog!” Tante schoot ervan in de lach. Een tijdje later, toen Marietje met haar klas zwemles kreeg in een zwembad met “blauw water”, ging ze voor het eerst van de middelhoge wip, ook al was het tegen haar zin.

De badmeester had gezegd, dat ze er allemaal om de beurt af moesten springen. Marietje was bang en heel stil. Ze keek met grote ogen, achterin de rij, naar de kinderen vóór haar en wilde dat ze stiekem kon weg kruipen. Maar ja….. het móest, ook al had ze hoogtevrees.

Eindelijk was ze ook de trap op geklommen, met kloppend hart je, en ze keek naar het einde van de plank. De badmeester stond achter haar en ze dacht maar aan één ding: ik wil niet!

Toen voelde ze twee handen onder haar okseltjes, die haar zachtjes optilden en naar de rand van de plank tilden tot boven het water. Ze was nu zelf ook een plank en voelde zich heel boos van binnen! Een paar seconden, die heel lang duur den, hing Marietje boven de “afgrond”.

Toen suisde de wind langs haar heen en plonsde ze het water in. Oei, ze zag de bodem! Nu zo snel mogelijk weer naar boven en adem happen. Spartelend kwam ze boven water en herinnerde zich later weinig meer van wat daarna kwam. Ze voelde zich steeds weer opnieuw vallen en was nog altijd erg boos!

6. OH, WAT EEN NACHTMERRIES!

In de eerste klas leerde Marietje schrijven. Ze deed dat met haar linkerhand en dat ging goed, totdat ze bij de “o” kwamen. Op een ochtend, toen ze allemaal hun schrift met lijntjes voor zich hadden, kwam de juffrouw naar Marietje toe en zei:

“Marietje, nu moet je met je rechterhand schrijven, doe het maar eens” en ze bleef staan kijken hoe Marietje de kroontjes pen in haar rechterhand nam, deze in de blauwe inkt doopte, die in het inktvakje in de tafel zat, en een “o” begon te schrijven.

Ze durfde niet te vragen waarom ze met haar rechterhand schrijven moest, maar ze werd wèl heel boos en opstandig. Ze deed braaf haar best en de juffrouw ging weer aan de lessenaar zitten. Marietje voelde zich bijna ontploffen bij elke volgende poging een “o” te schrijven en ze zei allemaal vreselijke scheldwoorden van binnen, tegen de juffrouw. Die avond, toen Marietje was gaan slapen, begon ze te dromen:

Ze zag een paard met wapperende manen op haar af komen, steeds harder en harder en groter en groter, tot ze de wilde ogen van het paard zag. Dan gilde ze het uit en de domineesvrouw kwam haar kamertje binnen en maakte haar wakker.

Dat ging zo elke avond: de ene keer was het paard bruin, dan wit, dan zwart en de domineesvrouw zat elke avond aan Marietjes bedje om haar te troosten. Marietje had niet verteld over het schrijven, want ze dacht dat het móest en dan was er toch niets aan te doen?

Op een avond, toen het paard haar weer vreselijk schrik aan joeg: een èchte nachtmerrie, vertelde Marietje aan haar moe der, dat ze van de juffrouw rechts moest schrijven en dat ze daar vreselijk boos om was. De domineesvrouw wist eindelijk wat haar te doen stond!

De volgende ochtend ging de domineesvrouw mee naar school en vertelde aan de bovenmmester wat er avond aan avond gebeurde, sinds Marietje rechts moest schrijven. Ze vroeg of Marietje alstublieft weer links mocht schrijven. Dat begreep de bovenmeester gelukkig en sinds die tijd zijn de nachtmerries weg gegaloppeerd.

Marietje kon weer rustig slapen en schreef mooie letters met haar linker hand.

 7.EEN SLAAPMIDDELTJE.

Toen Marietje een klein meisje was, had ze zovéél om over na te denken dat ze ‘s avonds, als ze in haar bedje lag, niet altijd kon slapen. Ze bedacht een manier om in te slapen: ze fantaseerde dat ze op reis ging!

Ze stelde zichzelf voor als klein eenzaam meisje in een grote zandwoestijn. Het was altijd avond en als ze besloot dat het pikdonkere nacht werd, dan gebeurde dat ook. Ze was niet bang of verdrietig, maar wèl alleen op de wereld.

Even later hoorde ze achter zich hoefgetrappel, dat langzaam dichterbij kwam. Ze keek niet om, maar wachtte tot ruiter en paard naast haar kwamen lopen. Want dat er iemand op het paard zat, wist ze gewoon.

Zal ik je vertellen hoe die “iemand” er uitzag? De ruiter was een Arabische hoofdman met een verweerd gezicht en een baardje. Hij had een haviksneus en doorzichtige groen bruine ogen met goudkleurige spikkeltjes erin. Deze man, een grote vriend van Marietje, boog zich naar opzij vanaf zijn rijdier en tilde Marietje op, zette haar vóór zich op de paarderug en wikkelde zijn donkere cape om hun beiden heen.

Marietjes oogjes keken door de kier van de warme mantel en ze voelde zich veilig bij de kracht van haar ridder en paard. Zó reden ze weer voort, de donkere nacht in en Marietje viel in slaap onder de warme dekentjes in haar bedje.

8.KETEN VOOR HET SLAPEN GAAN.

Toen Marietje klein was sliep ze met 3 zusjes op een kamer. Een tijdlang deelde ze het bed met haar zusje, die 2 jaar jonger was. Soms moesten ze hun “eigen plek” verdedigen en dan trok Marietje met haar hand een streep midden over het matras laken en zei:

“Dit is de grens, hier mag je niet overheenkomen!” Ze plaagden elkaar door, zogenaamd per ongeluk, een hand of voet over “de grens” te steken en ze duwden elkaar het bed uit, tijdens het gekibbel over “de grens”, die allang niet meer te zien was.

Andere keren, als ze in bed lagen maar nog niet wilden slapen, bedachten ze keetspelletjes. Één van hen ging heel stilletjes het bed uit en de andere twee moesten onder de dekens kruipen. Dan kwam er plotseling een hand aangekropen, die Marietjes voetjes kietelde, of in haar nek kriebelde.

Oei, wat was dat griezelig spannend! Vooral als het heel lang stil bleef, lag ze met kloppend hartje, benauwd onder de dekens. Marietje vond het ook heerlijk stout om haar zusjes te besluipen, ze kon heel stil doen en één van haar zusjes aan het gillen krijgen van de schrik en het lachen.

Soms ook gingen ze op de overloop, boven aan de trap, paardje rijden. Dat ging zó: Één van hen was het paard en hield zich aan de spijlen van het traphek vast, terwijl een ander schrijlings te paard zat en galoppeerde. Op het laatst stortten ruiter en paard in en lagen ze ingehouden te proesten op de grond.

Al dat gekeet moesten de dominee en zijn vrouw wel horen beneden en, soms meer dan één keer, riep de domineesvrouw van onderaan de trap: “En nú stil zijn en slapen, denk erom!” Dan stoven ze hun bed in en meteen daarna gingen ze weer in galop, totdat ze zich moe gespeeld hadden en slapend hun bed in rolden.

9.HET RODE JASJE EN EEN WANDELING MET EEN POES.

Marietje was een kleutertje dat veel van poezen hield. Op een dag, toen ze alléén buiten speelde (de dokter had ge zegd: “Niet naar de kleuterschool, maar lekker in de frisse lucht, want ze is te bleek”)   zag ze een zwart met wit poesje lopen langs de weg.

Het dier was nog jong en liep parmantig met haar staartje in de lucht. Marietje mocht zómaar bij het poesje komen en haar aaien, het was helemaal niet bang. De poes droeg een rood halsbandje en Marietje droeg een rood jasje, ze zag eruit als Roodkapje. Ze liep steeds een stukje verder mee met haar katte-vriendinnetje.

Op de weg reden auto’s en Marietje lette goed op dat ze allebei langs de kant bleven, in het gras. Een tijdlang vergat Marietje waar ze was en ze stapte met de poes vrolijk verder, een heel eind van huis.

Af en toe bleven ze even stilzitten en gaf het poesje kopjes tegen Marietjes rode jasje. Toen gebeurde er iets waar Marietje heel dapper van werd: de poes liep ineens de weg op! Terwijl er juist een auto kwam van de andere kant! Marietje sprong overeind, spreidde haar armpjes uit en ging midden op de weg staan, in haar rode jasje.

De auto stopte met piepende banden, vlak vóór de poes. Marietje pakte haar vriendinnetje vlug op en hield haar stevig vast, terwijl ze naar de kant liep. De mensen in de auto keken even verschrikt als verbaasd naar Marietje en begrepen toen dat ze zojuist een poes gered had.

De meneer achter het stuur stak zijn hoofd uit het raampje en zei vriendelijk: “Gelukkig is het nog goed afgelopen, ga je nu weer gauw naar huis met je poes?” De meneer begreep wel dat Marietje een eind van huis was, want het dorp lag een heel stuk verderop.

Marietje vroeg: “Weet U soms waar mijn huis is?” De meneer overlegde even met de mevrouw naast hem en zei toen: ”Als je ons vertelt hoe de straat heet, brengen we je wel even thuis”.

Marietje wist gelukkig wèl de naam van de straat, waar ze woonde en toen de mevrouw naast de meneer het achterportier opende, stapte Marietje, met de poes in haar armpjes, in de auto. Dat had ze nog nooit meegemaakt en de poes vast ook niet! Zomaar thuisgebracht worden met een auto!

De poes zat rustig bij Marietje op schoot, al gauw bekomen van de schrik. Toen ze de straat inreden, wees Marietje naar het huis, een stukje verder op. “Daar is het, dáár woon ik” riep ze en de auto stopte voor de stoep. De meneer hielp Marietje en haar vrachtje met uitstappen en samen belden ze aan.

De domineesvrouw deed open, keek eerst naar Marietje en toen naar de vreemde meneer naast haar. “Dag mevrouw” zei de meneer, “ik kom Uw dochtertje thuisbrengen, ze was verdwaald en heeft iets heel dappers gedaan”.

Toen vertelde hij wat er gebeurd was en Marietje keek een beetje angstig naar haar moeder. Zou ze boos worden? De domineesvrouw keek eerst wel verschrikt, maar dat veranderde al gauw in opluchting. Ze was zo blij dat Marietje weer veilig thuis was, ze had zich al ongerust gemaakt.

Ze bukte zich en aaide eerst Roodkapje en toen de poes over haar bolletje. “Je bent heel dapper, Marietje” zei ze “maar je moet voortaan niet meer zover weglopen hoor! Kom maar gauw binnen en de poes mag ook mee” Tot de vreemde meneer zei ze: “Wilt U allebei misschien een kopje koffie, voor U verder gaat?”

De meneer bedankte beleefd, maar ze hadden helaas niet de tijd om binnen te komen. “Mag ik U dan allebei hartelijk bedanken?” vroeg de domineesvrouw en ze schudde hem de hand. Marietje stak haar handje ook uit en zei: “Dank U wèl, dat U op tijd gestopt bent en dat U ons thuisgebracht hebt” en ze hield de poes omhoog en zei namens haar: “miauw,miauw”.

Daarna zwaaide ze met haar moeder naar de mevrouw in de auto en stapte met haar reislustige poes het huis binnen. Dáár werd ze in de keuken getrakteerd op een lekkere boterham.  En de poes? Die kreeg een stukje vis, een restje van de vangst die de dominee de dag ervóór had thuisgebracht. Marietje was net zo blij met haar nieuwe huisdier als de poes met haar redster.

10.AMANDELEN.

Marietje moest naar het ziekenhuis! Haar “amandeltjes” moesten “geknipt” worden, ook al begreep ze niet goed wat dat betekende. Haar moeder ging mee en voor het eerst stapte Marietje het grote ziekenhuis binnen, terwijl ze met grote ogen om zich heen keek.

Lange gangen, met witte en groene muren liep ze door en ze vond het heel geheimzinnig; het rook ook heel vreemd! Einelijk kwamen ze in een kamertje waar een dokter en een verpleegster zaten te wachten in witte kleren. Marietje moest op een stoel gaan zitten en de verpleegster pakte een groot zwart rubber masker, met een slang eraan.

Dat moest op Marietje’s gezichtje en ze vertelde haar dat ze diep moest inademen en niet bang hoefde te zijn. Marietje dacht bij zichzelf dat het een vreselijk eng ding was en werd boos, dat ze haar niet vertelden waarom ze dat rare ding op moest.

Maar ze wilde ook gehoorzaam zijn(want het moest) en durfde niets te zeggen. Het ging ook allemaal zó vlug! Ze deed haar best en ademde het verdovingsgas in (want daar was het masker voor). Het rook vies en maakte een gek geluid en dat was het laatste wat ze merkte van haar verblijf in het ziekenhuis.

Alsof het één moment later was dan toen ze het zwarte rubber masker op kreeg, gingen Marietje’s oogjes weer open. Vóór haar zag ze ronde wijzerplaatjes naast het stuur van een auto en de voorruit daarboven, waardoorheen ze zag dat ze vlakbij huis waren.

Ze voelde niet dat ze armen en benen had, ze wist wèl dat de auto groot en zwart was en een heleboel ronde vormen had aan de buitenkant. Toen wist ze een tijdje niets meer en werd in haar bedje ècht wakker. Haar keel voelde warm en deed een beetje pijn. Even later kreeg ze van de domineesvrouw een ijsje en dat was behalve erg lekker, ook heerlijk koud in haar keel. 

11.HOESTSIROOP EN GEKLOPTE EIEREN MET SUIKER EN BESSENSAP.     

Toen Marietje een jaar of 10 was, werd ze op een zomerdag verkouden en begon ze te hoesten. Ze moest van school thuis blijven omdat ze ook koorts kreeg. De dokter kwam en zei: “Het lijkt op bronchitis, ze moet maar in bed blijven en veel slapen”.

Marietje kreeg een flesje naast haar bed met een hoestdrankje, waar de domineesvrouw van tijd tot tijd een lepeltje vol uitnam en in haar mond stopte. Het smaakte naar drop en pepermunt en als het dopje weer op het flesje ging, knarste het van de suiker.

Na een paar weken was het nog niet veel beter met het hoesten en de koorts. De dokter kwam weer langs en zei dat het bijna een longontsteking was. Marietje vond dat veel ernstiger klinken dan “bronchitis” en kreeg er ook een ernstig gezichtje van. Ze was ook heel slap en moe en lag het grootste deel van de dag stil in haar bed.

Het was vaak of ze droomde en ze keek veel naar de figuren in de gordijnen, waar de zon doorheen scheen. Ze bedacht dat die figuren vazen waren, met gezichten erin en af en toe keken ze nogal streng, dan deed Marietje haar ogen maar dicht.

Ze fantaseerde dan dat ze zo klein werd als een rond balletje en daarna, dat ze zo groot werd dat ze de hele kamer vulde. Als ze dan het plafond en de muren vlak bij voelde werd ze benauwd en maakte ze zich weer langzaam klein. Het was een spelletje dat ze vaak deed, zolang ze ziek was en haar bed lange tijd niet uitkwam.

Ook luisterde ze ‘s middags, als het heel stil was in de straat, naar de musjes die in de dakgoot, vlakbij onder het dak, kwetterden in de hete zon. Langzaamaan ging het wat beter en mocht Marietje overdag in de huiskamer liggen: de domineesvrouw had daar een bed voor haar neergezet.

Elke week kreeg ze schone lakens en haar moeder kon dat heel handig, zonder dat Marietje uit bed hoefde. Want wat merkte Marietje op een dag, toen ze dat probeerde? Haar benen konden haar niet dragen, ze leek wel een lappenpopje!

Dus werd ze naar de ene kant van het bed gerold en legde haar moeder een dubbelgevouwen schoon laken op de andere helft. Dan sloeg ze de bovenkant van het laken op, tot het midden en rolde ze Marietje daaroverheen tot op het schone laken. Dan werd het laken naar de andere kant uitgevouwen en……klaar was Kees!

Het leukste was wanneer het bovenlaken erop kwam. Marietje ging dan met haar ogen dicht op haar rug liggen en haar moeder vouwde in één beweging het witte laken boven haar uit en liet het langzaam neerdalen. Dan voelde Marietje zachtjes een schoon koel laken tegen zich aan vleien, heerlijk was dat!

Ze verheugde zich er altijd op, net zoveel als wanneer ze ‘s avonds “ingestopt” werd. Dan duwde haar moeder de dekens aan weerskanten onder het kussen, zodat Marietje’s hoofd in een holletje lag, heel veilig.

Om Marietje’s benen weer sterk te laten worden maakte haar moeder geklopte eieren met rode bessensap en suiker klaar. Je trekt er misschien een vies gezicht bij, als je dat hoort. Nou, dat deed Marietje ook, de eerste keer toen ze het proef de, maar daarna was het eigenlijk best lekker.

En het hielp om de lappenpopbenen weer sterk te maken en opnieuw te leren lopen. Zo werd Marietje’s wereld elke dag een beetje groter en mocht ze weer buiten in de zon spelen.

12.DE LICHTJES VAN PERNIS.

Marietje ging voor het eerst ‘s avonds met de trein! Met haar vader ging ze naar Rotterdam. Kleine Marietje en de dominee stapten in de trein. Ze mocht bij het raam zitten, waarachter het al helemaal donker was.

Marietje zat op een groene gladde bank en drukte haar neus tegen het glas toen de trein ging rijden. Na een tijdje, toen de trein hard reed,  zag ze in de verte lichtjes voorbijschuiven: rode, blauwe, gele, allerlei kleuren. Lange rijen achter elkaar en ook een heleboel hoog in de lucht, als sterren.

Hoe het kwam weet niemand, maar Marietje werd er héél bang van. En het werden er steeds meer! Overal zag ze lichtjes. Ze sprong van de bank en verstopte zich onder het kleine zwarte tafeltje voor het raam. Ze durfde niet te kijken, maar was tegelijk heel nieuwsgierig.

Ze ging steeds opnieuw langzaam met haar oogjes boven de rand van het tafeltje, keek naar de lichtjes en dook weer griezelend weg tussen de benen en tassen van de andere reizigers. Ze hoorde de mensen achter zich lachen:  ze vonden het zo’n grappig gezicht: dat kleine meisje dat steeds wegdook.

Marietje vroeg met een benauwd stemmetje wat de lichtjes waren en haar vader vertelde dat het de fabrieken van Pernis waren, die olie uit de schepen in de haven verwerkten. De andere mensen om Marietje heen probeerden het haar ook uit te leggen, maar of het hielp? Nee hoor!

De lichtjes bleven griezelig en Marietje ging door met haar gymnastiek voor het raam.  Later, toen ze met haar schooltas in diezelfde trein zat, zag en begreep ze waar die lichtjes aan vast zaten. Toen was het geheimzinnige ervan opeens weg en dat vond ze tòch wel een beetje jammer.

13.DE RUPS DIE ZICH VERSTOPTE EN  EEN VLINDER  WERD.

Aan weerskanten van het steegje tussen de achtertuinen, bij het huis waar Marietje woonde, stonden hoge ligusterheggen. ‘s Zomers vond Marietje daar grote groene rupsen in, met gele en bruine strepen en een haakje aan het eind van hun lijf. Ze hadden heel veel kleine kriebelpootjes en kleine Marietje voelde hoe die rupsestapjes namen op haar hand. Ze had gehoord dat je ze in een lucifersdoosje kon stoppen, met een groen blaadje erbij en dat ze dan een vlinder werden.

Alleen begreep Marietje niet hoe dat kón.  Als ze een rups in een doosje deed en dat, met luchtgaatjes in het deksel, in het plantsoentje verderop, onder de struiken zette, vergat ze om te gaan kijken, ook al nam ze zich dat vóór.

Als ze dan plotseling dacht aan de rups en er gauw naar toe rende, vond ze een bruin kokertje in het doosje en verder niks. Hoe kon dat nou?! Marietje dacht dat de rups het blaadje opat en daarna uit het doosje kroop. Maar hoe kwam dat bruine kokertje er dan in? Ze keek altijd rond in het plantsoentje of ze de vlinder zag, maar nee hoor!

Een paar jaar later, vertelde de juffrouw op school over hoe een rups vlinder wordt.     Op het schoolbord had ze prachtige tekeningen gemaakt: eerst ging de rups een lange draad maken waar hij zich in wikkelde.

Daarna werd dat zijn huisje, dat noemde je “cocon” en binnenin dat huisje veranderde de rups langzaam in een vlinder. Eerst was het een rups, dan een soort dik soepje en daaruit vormde zich weer een vlinderlijfje.

Als de vlinder klaar was met vleugels en vlinderpootjes maken, binnenin het kokertje, duwde ze zich zelf naar buiten. Dan was ze nog wèl een strak in elkaar gevouwen nat pakketje, het zag er eigenlijk helemaal niet uit als een vlinder.

Het vlinderpakketje droogde in de buitenlucht en de zon en langzaam zag je dan de vleugels zich uiteenvouwen en begon je de prachtige kleuren daarvan te zien. Het was eigenlijk net toveren, vond Marietje en ze luisterde aandachtig hoe de juffrouw bij de laatste tekening vertelde:  “En nu is de vlinder helemaal droog en beweegt ze haar vleugels heen en weer om te oefenen.  En dan…..   vliegt ze omhoog naar de blauwe hemel”.

Toen begreep Marietje wat dat bruine kokertje was in het lucifersdoosje en de volgende keer keek ze eerst aandachtig naar het oude vlinderhuisje en toen naar de blauwe lucht en riep zachtjes: “Goeie reis, tovervlinder”.

13  jeugdverhalen ( bestelbaar in boekvorm van eigen hand, met dito  illustraties) Utrecht Zomer 1999

Ten dele op basis van ware gebeurtenissen.

13 VERHALEN VAN DE AARDE, DE MAAN EN DE ZON

1.DE MAAN IS EEN BANAAN.

Een pasgeboren jongetje ziet voor het eerst de maan bij nacht aan de hemel. Met grote ogen kijkt hij ernaar, hij weet nog niet dat het een bal is, die de grote mensen een planeet noemen. Het jongetje wordt groter en als peutertje ziet het weer de maan als een sikkeltje aan de nachtelijke hemel staan: “Kijk mama, een banaan” zegt hij en mama zegt: “Ja, dat is de maan”. “De maan is een banaan” zegt hij parmantig. Mama moet lachen.

Als kleuter gaat het jongetje met zijn ouders op vakantie. Met zijn papa is hij buiten, bij nacht, en samen zien ze de volle maan tevoorschijn komen. “Papa kijk, een lamp in de lucht” zegt het jongetje.

Papa glimlacht en zegt:”Ja, die lamp…. dat is de maan”. “Waarom is de maan geen banaan meer?” vraagt het jongetje “ of is dit een andere maan?” Papa begrijpt wat zijn zoontje bedoelt en antwoordt: “Weet je…. de maan is een grote bal, die om de aarde draait.

En de aarde draait samen met de maan om de zon, die heel groot en heel ver weg is. De zon schijnt wel, maar dan aan de andere kant van de aarde en daarom is het hier donker. “Echt waar, papa?” vraagt het jongetje.

“Ja” zegt papa, “de aarde is ook een grote bal, nog groter dan de maan. En het licht van de zon schijnt nu op die kant van de maan waar wij tegenaan kijken. Dat noemen we volle maan”. “Eigenlijk is de maan toch een lamp, hè papa?” zegt het jongetje eigenwijs. ”Ik kan jou heel goed zien in het donker”.

“Ik jou ook” zegt papa en hij aait zijn zoon over zijn bolletje, ook een ronde bal. Dan vertelt hij verder:”Als de zon op de zijkant van de maan schijnt, dan zie je een sikkeltje, wat jij een banaan noemt”. “Is er maar één maan?” vraagt het jongetje.

“Ja, zegt papa “er is maar één maan bij de aarde en als we vanaf nu elke avond hier naar de maan kijken, kun je zien hoe er steeds een stukje van het lichtrondje afgaat”. Het jongetje begrijpt nog niet helemaal wat papa vertelt, maar dat hij een poosje elke avond mag opblijven, begrijpt hij wèl!

In diezelfde vakantie, zit zijn mama op het terras in de zon en roept naar hem: ”Zeg, wil jij even mijn zonnebril hier brengen?”Het jongetje pakt mama’s bril en zet hem op zijn neus, terwijl hij naar haar toe loopt. “Mama, heb jij ook een maanbril?” vraagt hij.

Zijn moeder lacht en zegt: ”Een maanbril? Dat is een leuk idee, die kunnen we wel eens samen maken”. “Maar je hebt niet echt een donkere bril nodig, als de maan schijnt, vind je wel?” “Nee” zegt haar zoon, “maar we gaan wèl een maanbril maken hè, in de vakantie?”

“Ja, dat is goed”, zegt mama en ze geeft hem een zoen op zijn neus, nadat ze haar zonnebril eraf heeft gehaald. Het jongetje wil steeds méér weten over de aarde en de maan. Hij gaat vaak naar de Sterrewacht. Daar mag hij door een telescoop, een grote verrekijker, naar de maan kijken.

Kon hij maar eens zó naar de aarde kijken, dacht hij, dan wist ik tenminste zeker dat ze een bal is. Veel later, als de jongen een man is geworden, maakt hij zijn eerste ruimtereis naar de maan. Als hij vanuit zijn cabine naar buiten kijkt, de onmetelijke donkere ruimte in, ziet hij de aarde, een mooie blauwachtige planeet, een ronde bal.

En met dezelfde ogen als toen hij een baby was en de maan aan de hemel zag staan, kijkt hij nú naar de aarde. Een tijdje later zet hij zijn eerste stapjes: op de maan.

 2.HET MADELIEFJE EN DE KASTANJEBOOM

Een dikke kastanjeboom stond zich uit te rekken, midden in een grasveld. Zijn bladeren waren zijn handen: zoals wij vijf vingers aan een hand tellen, had deze boom 5 punten aan zijn blad. Als de boom zwaaide in de wind dan wuifde hij naar iedereen die langs kwam.

Het madeliefje tussen het gras onder de boom kon niet wuiven, ze riep met een klein hoog stemmetje: ”Hallo boom!” als de wind weer eens langs kwam. De kastanjeboom hoorde haar helemaal niet; hij dacht dat er een vogeltje piepte.

Het madeliefje was een beetje verdrietig omdat de boom haar niet hoorde: elke avond vouwde ze haar bloemblaadjes dicht om haar hartje. Toen kreeg ze een goed idee! Op een windstille dag, toen het zó warm was dat de vogels er stil van werden, klonk er een helder stemmetje.“Hallo boom” zei het madeliefje.

“Hummmm, ahummmmm” klonk de diepe stem van de kastanjeboom, “het komt geloof ik uit mijn tenen! Wie is daar?” “Ik ben het, hier beneden tussen het gras” riep het madelief je en ze draaide haar bloemenhartje naar boven, zodat de kastan jeboom haar witte ster tussen het gras kon zien.

“Hola, hallo zeg” zei de kastanjeboom “sta je daar al lang te roepen? Ik dacht dat je een vogeltje was!” Het madeliefje werd rood in haar bloemengezichtje, zó verlegen werd ze ineens. “Nee, ik ben een madeliefje” zei ze toen dapper “en ik sta met mijn wortels in de grond net als jij”.

“Hu,hu,hu” lachte de kastanjeboom en zijn takken kraakten van plezier. “Jij bent niet op je mondje gevallen zeg! Wat gezellig, dat ik es met je kennismaak”. De kastanjeboom hoopte elke zomer dat er iemand was om mee te praten, dan was hij goed wakker en wel te vinden voor een praatje. Hij wachtte vergeefs en werd er stekelig van.

Als hij er heel sikkeneurig van werd liet hij een stekelbol vallen op een mensenbol: “AU,AU!” hoorde hij dan. Dat was tenminste iets. Nu had er een madeliefje “Hallo boom” tegen hem gezegd, daar kon je nog eens mee práten!

De boom was zó in gedachten verzonken, dat hij zijn wortels voelde kriebelen, toen het kleine stemmetje weer klonk:  “Je wuift zo vaak naar me met je bladeren en ik kan dat niet. Daarom róép ik je!” “Oh, zit dat zó” zei de kastanjeboom, “maar nú wuifde ik niet!”  “Nee” zei het madeliefje “maar je hoorde me wel!”

“Ja, dat is waar” zei de boom en hij dacht weer na, hij was niet zo snel van begrip, want een boom weet niet wat vlug is.“Zeg boom” zei het madeliefje weer “hoe diep gaan jouw wortels?” “Hè? Ohh!” zei de boom “zo diep als ik hoog ben, moet je maar denken”. “Echt waar?” vroeg het madeliefje en ze keek naar de aarde die vlakbij was: nee, haar worteltjes gingen niet zo diep.

“Mij plukken ze niet zomaar” zei de boom   “jou wel, als je maar zo klein bent”. “Nou” zei het madeliefje vinnig “we groeien in dezelfde aarde hoor, als je dàt maar weet!”.  En dáár had de boom niet van terug!

3.DE AARDE IS PLAT…. DE AARDE IS ROND….

Heel lang geleden woonden er ook mensen op de aarde. Er bestond nog geen televisie en een vliegtuig of raket kenden ze in die tijd niet. Ook auto’s en fietsen waren er nog niet en daarom bleven de mensen meestal hun hele leven op de plek waar ze geboren waren. Sommige mensen dachten er wel eens over na, hoe groot de aarde wel zou zijn en hoe ver je zou kunnen lopen tot aan de rand.

Stel je voor dat je er afviel! Niemand durfde het te wagen om een lange reis te maken, want eten in potjes en drinken in flessen had je toen ook niet. En misschien was daar helemààl geen eten en drinken te vinden, laat staan een warme slaapplaats voor de nacht.

Dus bleven ze maar liever bij hun familie en het land waar gras, groente en graan groeide: voor henzelf en hun dieren. Een hele tijd later, maar nog steeds heel lang geleden, was er een tovenaar die helder glas kon maken.

Hij maakte dit van zand met behulp van een heel heet vuur. Hij wilde vensters maken in de openingen van zijn torenkamer, want hij liep zo vaak te niezen dat de sterren van zijn mantel sprongen.

Toen hij zover was dat er een echt raam in zijn torenkamer zat, ontdekte hij, dat als hij er doorheen keek, de boom beneden veel groter was dan in werkelijkheid. Hij kreeg een idee! Hij nam een glasscherf en begon er aan te slijpen.

Steeds keek hij er doorheen om te zien of Tobias, zijn kat, groter of kleiner werd. Wekenlang werkte hij aan het kijkglas en menig maal, als hij Tobias bekeek, sprong deze van schrik met vier poten de lucht in als hij het grote starende oog van zijn baasje zag, achter het glas.

Toen koos de tovenaar de maan om te bekijken en hij kreeg er steeds meer plezier in. Hij kreeg weer een idee: (zoals je weet hebben tovenaars daar nogal eens last van).

Hij bouwde twee kijkglaasjes in een buis. Na lang puzzelen en uitproberen had hij een echte verrekijker gemaakt! Op een nacht, toen de maan vol was, keek de tovenaar er door heen en wat zag hij? De maan was rond!

Hij was zo opgewonden, dat hij tegen zijn kat bij de haard riep: “Tobias, de maan is rond!” Tobias lag bij het vuur te doezelen en toen hij de stem van zijn baasje hoorde deed hij één rond oog open, eventjes maar, en sliep toen weer verder alsof hij dacht: “Nou moe….moet je me daarvoor wakker maken?  Alsof ik dat niet wist!”

De tovenaar keek die nacht nog heel lang naar de maan en nieste de sterren van zijn mantel (hij was zo vol van zijn uitvinding dat hij vergat dat hij ramen wilde maken in zijn huis). Hij dacht: “Als de maan rond is, dan is de aarde ook vast rond!

Vanaf dat moment studeerde de tovenaar in héél oude boeken, waar tekeningen in stonden van de aarde, de maan en andere planeten: allemaal bolletjes die om elkaar heen draai den in het heelal. Hij begon echt te geloven dat de aarde rond was en op een dag ging hij naar een goede vriend om te vertel len wat hij geloofde.

Wat denk je dat die vriend zei, toen hij de tovenaar aanhoorde? “Jij hebt zeker te diep in het glaasje gekeken, jij met je toverdranken! Hoe kom je erbij! De aarde is plat, vraag het maar aan de mensen in het dorp, iedereen kan je dat vertel len!”

De tovenaar was wijs en dacht: ”Ik nodig hem uit om door de verrekijker te kijken” en hij zei:”Als je vanavond langs komt zal ik het je laten zien”. “Goed”, zei de vriend en hij kwam die avond bij de tovenaar op bezoek. “Kijk”, zei de tovenaar en hij wees naar zijn uitvinding, “als je daar doorheen kijkt, zie je het zelf”.

De vriend keek heel verbaasd en ongelovig naar het vreemde ding en de tovenaar liep er naar toe en keek er doorheen. “Ja hoor”, zei hij “ze is nog steeds rond” en hij stapte opzij om zijn vriend te laten kijken. Die liet zich niet zo gemakkelijk overhalen!

Hoewel hij de maan duidelijk kon zien als een ronde bal, kon hij niet geloven dat de aarde ook rond zou zijn. (Lang geleden geloofden mensen dat de aarde plat was en op een ander moment dachten ze dat alle sterren, de maan en de zon, om de aarde draaiden).

Hij bestudeerde de verrekijker en stelde een heleboel vragen. Hij kòn het maar niet geloven en zei tenslotte:  “Je hebt dat ding zó gemaakt, dat het líjkt alsof de maan rond is. Dat komt door die rare verrekijkglaasjes van je….  Nee, mij houd je niet voor de gek, ik geloof er niets van!”

Toen schonk de wijze tovenaar een ander glaasje in en praatten de twee vrienden over dingen die ze allebei geloofden. Zo zweeg de tovenaar voortaan over zijn uitvinding. Heel veel later, toen er veel soorten verrekijkers waren uitgevonden, zoals de televisie en videocamera’s, geloofde niemand meer dat de aarde plat was, behalve kinderen.

De aarde ècht zien als een bal kon alleen de astronaut, die in zijn ruimtecabine door het vensterglas naar buiten keek en fluisterde: “Ja…. de aarde is rond!”

4.DE TOVENAAR EN DE MAAN

Aan de nachtelijke hemel stond de maan en verlichtte de tovenaarstoren met haar koel witgouden licht. Eindelijk was de wind gaan liggen, nadat hij de regenwolken had weggeblazen. “Hè hè” zei de tovenaar “was me dat hondeweer!”

Na een bezoek aan het grote woud, was hij weer thuis en stond met verwaaide haren in zijn torenkamer, waar regen en wind hadden huisgehouden. Sinds hij het glas had uitgevonden, was hij niet verder geko men dan één glasraam in de open vensters, die rondom uitzicht gaven vanuit de toren. In de opwinding van het bouwen aan de verrekijker, had hij de rest maar zo gelaten.

De tovenaar keek rond en zag weggewaaide papieren, sommige doorweekt van de regen, op de vloer verspreid liggen. De planten die hij opgekweekt had, stonden en lagen er verpieterd bij en hijzelf had de ene niesbui na de andere. “Het wordt hoog tijd om mijn huis in orde te brengen en alles op te ruimen” dacht de tovenaar.

“Wat vind jij ervan Tobias?” vroeg hij aan zijn kater, die zijn snorharen aan het poetsen was na een maaltje vis. Tobias hoorde de stem van zijn baasje en keek op met zijn rode tong uit zijn bek. “Ja, jij hebt de poetslap altijd bij de hand” lachte de tovenaar en hij aaide Tobias over zijn glan zende vacht. Tobias knipoogde en ging geduldig verder met zijn karweitje.

De tovenaar ging rechtop staan en nieste nog maar eens een paar sterren van zijn mantel.  “Ja, dat ga ik doen” zei hij “schoonmaken en opruimen”. Hij begon alle papieren bij elkaar te zoeken en gooide het meeste in de haard. Al gauw laaide het vuur hoog op en de torenkamer kreeg weer het aanzien van een gezellige werkkamer.

De hoge kasten met dikke boeken en stapels aantekeningen; een grote houten werktafel met ganzeveren en inkt in alle kleuren van de regenboog; een paar luie stoelen bij de grote haard, waar de warme schapevachten lagen op de roodbruine vloertegels. Een paar grote bergkristallen weerkaatsten de oranje gloed van het vuur.

De tovenaar stond bij zijn verrekijker. Hij keek naar het maantje en mijmerde over het donkere woud, waar hij de uilen gezien had, die af en toe een oogje dicht knepen. Heb je wel eens een uil horen vliegen? Nee?

Dat kan ook niet, hun vleugels maken geen geluid. Soms voel je het aan het windje dat langs je gezicht strijkt, als ze vlak over je hoofd scheren. De tovenaar had gezien hoe het licht van de maan in hun ogen weerspiegelde. Terwijl hij op Zwarte Maan onder de takken doorreed, gleden de lampjes twee aan twee langs hem heen, als in een droom.

Déze nacht droomde de tove naar van de sterren die hij wegge niest had: langs de manestra len gleden ze terug, door de open vensters en flonkerend zakten ze weg tussen de plooien van zijn mantel.

5.DE TOVENAAR AAN ZEE

De dag na volle maan was het stil en warm weer. De tovenaar had tot diep in de nacht gewerkt om zijn huis op te ruimen en terwijl het al laat in de ochtend was, lag hij nog te snurken in zijn bed. Tobias, die honger kreeg, zat naar zijn baasje te kijken en zwiepte met zijn staart. Hij sprong op het bed, ging op de kussens liggen en begon te spinnen.

Heb je dat wel eens gehoord? Snurken en spinnen tegelijk? Het was alsof ze een wedstrijd deden, wie het hardste kon, maar wakker werd de tovenaar er niet van. Toen zat er nog maar één ding op: de tovenaarsneus die daar lang en scherp omhoog stak uit de kussens! Tobias rekte zich uit, snuffelde aan de snurkneus en zette zijn tanden erin, héél eventjes maar.

Nou, dàt hielp! “Hu!? Wat?” klonk de stem van de tovenaar en Tobias sprong op zijn borst. “Oh, ben jij het Tobias! Moest je me weer bij de neus nemen?” en hij greep naar het rood geworden puntje van zijn neus. Tobias keek zijn baasje aan en begon weer te spinnen.

De tovenaar keek naar de zonnestralen die zijn kamer binnen vielen en zag dat het al laat in de ochtend was.“Wat een mooie dag om naar het strand te gaan”, zei hij en Tobias, die dacht dat hij iets hoorde over “lekkere brokjes”, gaf hem met een bons een kopje tegen zijn kin. “Oké, boodschap begrepen” zei de tovenaar en hij pakte Tobias vast, sloeg de dekens op en sprong uit bed.

“Goeiemorgen, opgeruimd huis” riep de tovenaar en met Tobias in zijn armen liep hij naar de kast met brokjes. Tobias wriggelde zich los en rende naar zijn etensbak. Even later klonk het geluid van geknabbel en het zingen van de waterketel. Na het ontbijt trok de tovenaar zijn zwembroek aan onder zijn mantel met nieuwe sterren, die hij blij verrast bekeek en pakte zijn rugzak in.

Hij sloot de deur van zijn kamer af en sprong met 3 treden tegelijk de wentel trap af, terwijl hij floot dat het galmde door de toren. Eenmaal buiten, zag de tovenaar dat zijn paard hem al opwacht te bij het hek. Er was voor Zwarte Maan, zo heette het paard, maar één ding dat hij direct herkende: het fluiten van zijn berijder.

Zwarte Maan hinnikte en de tovenaar sprong lenig op zijn rug. “Naar de zee, Zwarte Maan!” riep hij en in draf gingen ze over het zandpad richting duinen. De tovenaar zag de bladeren van de berkebomen zich omdraaien in de wind en zilvergrijs oplichten.Een valk hing  in de lucht met zijn felle kopje naar beneden gebogen.

Het geluid van de zee kwam dichterbij en toen ze het laatste duin hadden beklommen was ze daar: groengrijs met schuimende golven, die door het hoogtij ver op het strand rolden. Ruiter en paard snoven de zilte lucht op en na een teken van de tovenaar, draafde Zwarte Maan naar beneden en ging het in galop door de branding.

Zwarte en witte manen wapperden in de wind en pas toen ze bij het vogelei land kwamen steeg de tovenaar af. Nadat hij een duik had genomen in de golven keek hij naar de meeuwen, die elkaar lekkere hapjes probeerden af te pakken en naar de zwarte kraaien ertussen, die met zijwaartse sprongetjes buiten het bereik van de grote oranjegele snavels bleven.

Zwarte Maan rolde zich in het zand heen en weer en toen de inhoud van de rugzak werd uitge stald deden ze hetzelf de spelletje als de meeuwen. Zwarte Maan snoepte de sla weg tussen de kaasboterhammen, toen de tovenaar even niet oplette en deze nam vervolgens een grote hap uit de haverkoek, die hij voor de paardeneus hield, waarboven twee beteuterde ogen hem aankeken.

 Ze grijnsden naar elkaar en toen het eten op was deden ze broederlijk een stranddutje. Zwarte en witte manen lagen naast elkaar op het warme zand.

 6.DE TOVENAAR EN HET BIJENVOLK

Op een zomerdag werkte de tovenaar in zijn tuin. Hij had zijn mantel omgeruild voor een tuinbroek en een oude strohoed beschermde zijn hoofd tegen de felle zon. Tussen de zonnebloemen en het vingerhoedskruid groeide de winde omhoog. Na de vele regen deed elke plant haar best om hard te groeien en de tovenaar vond ze allemaal mooi, maar hij moest wel een beetje orde houden.

De komposthoop groeide al behoorlijk: alle tuinafval werd weer nieuwe aarde. De tovenaar had wel eens een hulpje in de tuin: een jongen uit het dorp, die het heerlijk vond om de tovenaar te horen vertellen over de natuur. In het begin moest de jongen nog wennen aan alle insekten tussen het groen en toen hij een pissebed doodtrapte, zei de tovenaar: “Weet je wat het werk is van een pissebed?”

De jongen had gezegd: “Het zijn vieze beesten, bah!” De tovenaar vertelde hem over “opruimertjes” die van alles wat dood ging in de natuur, weer kompost maakten. Dat waren eigenlijk hulpjes, die er voor zorgden dat er steeds weer aarde was voor de planten om in te groeien. Zijn hulpje had zwijgend geluisterd tijdens het werk en een poosje later, terwijl hij met glinsterende ogen rechtop ging staan, zei hij:

“Eigenlijk zijn wij ook opruimer tjes, hè?” en de tovenaar schoot in de lach en knikte. Toen de tove naar op de ladder stond om een winde los te maken van een hoge zonne bloem, schoot het blonde jongens hoofd nóg eens omhoog en riep: “Worden wij óók kompost als we dood zijn?”

De tovenaar was wèl even verrast door die vraag en moest zich vasthouden om niet van de ladder te vallen. Hij dacht even na en zei: “Ja, als we in de grond begraven worden wèl!” Hij lachte naar de jongen en sprong naar beneden. “Heb jij zin in limonade, ik wèl!” en ze liepen naar het tuinhuisje, waar het heerlijk koel was: ze moesten eerst een trapje af want het lag half in de grond.

De limonade was gemaakt van frambozen en rode bessen (je kunt wel raden waarvandaan) en ze dronken uit kommen van aardewerk. Ze namen tegelijk hun laatste slok en grinnikten. “Zullen we naar de bijen gaan kijken?” vroeg de tovenaar, “ik geloof dat er iets aan de hand is”. Samen liepen ze naar een hoek van de tuin, de tovenaar voorop.

De jongen kroop een beetje angstig achter hem weg. “We gaan achter die struik naar ze kijken” wees de tovenaar en hij stak zijn andere hand naar achteren om de jongen gerust te stellen. Van een afstandje gluurden ze tussen de bladeren naar de bijenkorven. Er klonk een gezoem van honderden  bijenvleugels.

“Ik geloof dat er een volksverhuizing aan de gang is” fluis terde de tovenaar “moet je dààr es kijken!” en hij wees naar de appelboom, wiens takken boven de korven hingen. Een donkere bewegende massa hing onderaan tegen een tak en er vlogen steeds meer donkere stipjes naar toe. “Zijn dat bijen?” vroeg de jongen en de tovenaar knikte. “Waarom zitten ze daar?”

De tovenaar fluister de: “Er is een nieuwe bijenkoningin geboren en die moet een eigen volk om zich heen verzamelen en een nieuw huis zoeken. Zó heb ik ook mijn bijen gekregen, in elke korf één volk” “Waar gaan deze bijen nu heen?” fluisterde de jongen. “Er zijn nog een paar lege korven ergens in de tuin” fluisterde de tovenaar “we kunnen ze in een schepnet vangen en naar een lege korf brengen. Durf je dat, samen met mij?”

“Heb je dat wel eens eerder gedaan?” vroeg de jongen. De tovenaar knikte en de jongen zei: “Oké, dan durf ik het”. Rustig liepen ze weg om het schepnet te halen, de jongen vond het vreselijk spannend maar liet het niet merken. Even later stonden ze weer op hun gluurplaatsje achter de struik, de tovenaar hield een schepnet in zijn hand.

Hij zei: “Nu ga ik met het schepnet naar de tak en laat ze erin vallen. Als jij dan met mij naar de lege korf loopt en het deksel eraf tilt, laat ik ze erin. Daarna moet je heel snel het deksel er weer op doen en hard weghollen”. De jongen knikte met ingehouden adem en de tovenaar gaf hem een klopje op zijn schouder. Met grote ogen keek de jongen toe, terwijl de tovenaar naar de appelboom toeliep. Hij schoof het net onder het bijen volk naar boven, veegde ze los van de tak en klapte de boven kant om: ze zaten erin!

De jongen kon het zoemen nu duidelijk horen! Samen liepen ze door de tuin naar een lege korf en de tovenaar vertelde ondertussen: “De bijenkoningin zit middenin, ze wordt altijd beschermd omdat ze de enige is die de eitjes legt. Ze krijgt altijd de lekkerste hapjes en wordt dik en rond. Ik zal je straks een honingraat laten zien, waarin de werkbij en de honing opber gen.

Nu waren ze aangekomen bij de lege bijenkorf. De jongen liep er op af en tilde het deksel op. De tovenaar legde de boven kant van het schepnet over de ronde opening van de korf en tilde voorzichtig de puntbodem van het net omhoog. Het bijenvolk zakte langzaam naar beneden en viel met een plof in de korf. De tovenaar en de jongen keken elkaar aan, nu werd het heel spannend.

De tovenaar zei: “Ik tel tot drie, dan doe jij het deksel erop, één, twee, drie….” En vliegensvlug zette de jongen het deksel bovenop het schep net dat nog om de korf zat.  Weer keken ze elkaar aan en ze schoten tegelijk in de lach. “Oei, wat doen we nu?” vroeg de jongen. “Je was me te vlug af” lachte de tovenaar “wil je het deksel nog een keer optillen, heel vlug?”  “Oké” zei de jongen “ik tel tot drie…. één, twee, drie. … en terwijl het deksel omhoog ging, haalde de tovenaar het schepnet los.

Een paar boze bijen vlogen naar buiten en de jongen stond verlamd van schrik. “Vlug, het deksel!” zei de tovenaar en de jongen gehoorzaamde als de bliksem. Je had ze moeten zien rennen, met de boos zoemende bijen achter zich aan! Zó snel waren ze nog nooit het tuinhuisje binnengegaan. Hijgend zaten ze aan de tafel en de tovenaar zette het schepnet op zijn hoofd. De jongen moest zó lachen, dat hij zich verslikte in zijn limonade.

7.DE TOVENAAR, DE KIKKER EN DE PAD.(het deel met de pad is waar  gebeurd in mijn achtertuin)

 Op één van die warme zomerdagen in juli, terwijl er bijna geen zuchtje wind te voelen was, zocht de tovenaar het water op. Het was tòch te warm om iets te doen, het liep hem tappelings langs het lijf, toen hij de 7 witte kippen gevoerd had, die hun eigen torentje hadden in de tuin. Hij zou te voet gaan, onder de groene kronen van de bomen, tot aan het moeras en de heide, waar vennetjes lagen met helder water.

De tovenaar zat daar vaak te dromen en zag ze vliegen: de blauwe en rode waterjuffers. Toen hij zijn rugzak ingepakt had ging hij op weg. Tobias liep een stukje met hem mee, die kende de buurt op zijn katerduimpje. Bij de heide aangekomen, koos de tovenaar een plekje tussen hoog gras uit, waar hij aan het water kon liggen en naar het bloeiende pijlkruid kon kijken.

Na een tijdje viel hij in slaap en het werd zó stil, dat het leek of de dieren ook een dutje deden. Opeens schrok de tovenaar wakker: hij voelde iets kouds en nats op zijn been! Vlug keek hij om en wat zag hij? Een grote groene kikker met bruine vlekjes, die hem koeltjes aankeek. De tovenaar vond het grappig en bleef rustig liggen.

“Hallo kikker” zei hij. De kikker keek hem aan en hield zich nog steeds vast aan het tovenaarsbeen.Niet eens “kwáák” zei hij terug. Zwijgend zaten ze zo een tijdje en toen nam de kikker een sprong en…. PLONS, verdween hij in het water. “Dat ga ìk ook doen” zei de tovenaar en even later dook hij de kikker achterna.

Toen de tovenaar opgekikkerd was van het zwemmen droogde hij zich in de zon en kleedde zich aan. Op de terugweg bleef hij een poosje treuzelen bij de braam struiken en snoepte de bramen eraf. Ze waren zó rijp dat ze bijna vanzelf in zijn hand vielen. Toen hij onderaan een struik aan het plukken was, zag hij iets glimmends liggen op de grond.

Hij keek eens goed tussen het gras en zag een korte buis liggen met aan twee kanten een glimmend deksel. In één van de deksels zat een gat met een soort handvat er aan vast. Wat zou het toch zijn? Zat er iets in? De tovenaar schudde ermee en hoorde iets rammelen. Toen keek hij erin en dacht een paar bruingroene bladeren te zien.

Plotseling hoorde hij iets bewegen daarbinnen. Verbaasd keek de tovenaar nóg eens door de opening en wat kwam daaruit te voorschijn? De kop van een pad! Hoe was die daar toch ingeko men? Hij kon er niet verder uit als met zijn kopje! De goudspikkeltjes kon de tovenaar goed zien in de oogjes van de pad.

“Ik zal je eruit laten als we thuis zijn” zei de tove naar en hij ging nu vlug lopen. Hij ging meteen naar het tuinhuisje en begon met een scherp mes het deksel los te snijden. De pad moest onderin blijven zitten, anders bezeerde hij zich. Maar hij wilde er wèl graag uit: steeds probeerde hij naar boven te kruipen.

Voorzichtig, stukje voor stukje, sneed de tovenaar een half rondje van het deksel los en boog het naar binnen. Toen legde hij de buis plat neer en wachtte tot de pad eruit kwam. Deze probeerde nog steeds door het kleine gaatje naar buiten te kruipen…. de stakker!

Toen schudde de tovenaar de pad eruit en zag toen pas hoe groot het dier was. “Heb jij daar al heel lang ingezeten?” vroeg hij. De pad dribbelde gauw weg, hij had wel zin in een hapje. Het enige wat hij eraan overhield was een lichte  hersenschudding.

En de tovenaar?…. Die was blij.

8.DE TOVENAAR EN DE NEGEN EKSTERS.(waar gebeurd in mijn achtertuin)

Als de tovenaar in zijn tuin zat, keek hij graag naar de vogels. Vooral als het een groepje uit één nest was, dat weliswaar op eigen vleugels vloog, maar sámen naar eten zocht en aan het keten ging. De kleine musjes hipten vaak in een struik rond, al tsjilpend en met hun vlugge kopjes draaiend. Als ze, nèt vliegvlug, nog met hun ouders waren lieten ze zich maar al te graag lekkere hapjes in hun bek stoppen.

Jonge koolmeesjes piepten en zaten trillend met hun vleugel tjes op een tak alsof ze riepen: “Papa….Mama….ik kan al vliegen, maar vangen jullie me op?” De tovenaar zat vaak zachtjes te lachen bij al dat theater. Het was een gratis voorstelling en nooit hetzelfde!       De tovenaar had wel eens gezien hoe een ekster, vanuit een boom, Tobias had zitten uitlachen en hem zelfs uitdaagde tot de aanval, door naar hem toe te huppelen.

Dat hield de ekster net zo lang vol tot Tobias wegliep: met hangende snorharen. Om hem helemáál voor schut te zetten, vloog de ekster dan kake lend, vlak over Tobias heen, weg. Die plukte even later terloops een libelle van een grashalm en at deze smakelijk op. De tovenaar kon het horen kraken en rilde ervan.

Op een middag, toen er onweer dreigde en het héél stil was, zat de tovenaar op een boomstam in de tuin en studeerde in een boek dat ging over het eerste vliegtoestel.             De vleugels daar van waren gemaakt van houten stokken en doeken en 1 mens kon in een soort houten kooi onderaan die vleugels hangen en ze bewegen. Een beetje zoals een vogel.

De tekeningen van het ding waren heel mooi, maar de tovenaar vroeg zich af of de vliegenier ook geroepen had wat de koolmeesjes riepen…. toen hij de eerste keer met zijn toestel van een heuvel afvloog. Nee…. de tovenaar keek liever door de verrekijker naar de hemel in plaats van erheen te vliegen.

Plotseling hoorde hij gekakel. Een stukje verderop, in een kale dode boom, zaten een stel eksters.Één van hen had een blauw lapje in zijn bek en zijn maatjes probeerden dat af te pakken. Het was  een dans: hun lange staarten wipten op en neer en ze pikten in elkaars tenen, zodat ze opvlogen en op een nieuwe tak sprongen. Vooral degene met zijn buit werd geplaagd natuur lijk, want ze wilden het óók zo graag vast houden.

Het waren nèt kinderen. De tovenaar telde er negen en lachte om hun parmantigheid en slimheid.Toen de lucht groen werd en de eerste dondersla gen klonken, stopten de eksters met hun dans en vlogen weg. Ze waren wel brutaal maar tegen onweer konden ze niet op.  De tovenaar sloeg het boek dicht en besloot te schuilen in het tuinhuisje.

 9.DE TOVENAAR EN DE ZONSVERDUISTERING.                                                                         Op een zonnige dag in augustus, liep de tovenaar door de tuin. Hij vertelde aan zijn tuinhulpje, de dorpsjongen, dat de rupsen op de rode kool zo’n honger hadden. “Als we er niets aan doen krijgt de kool geen kans om nog wat te worden” zei de tovenaar “ik zal ze je laten zien, kom maar mee” en ze wandel den naar de groentetuin.

Tussen de boerenkool en de spercieboontjes stonden een aantal rodekool-planten. De groengele rupsen waren goed te zien op de bladeren, die aan flarden hingen. “Waar komen die rupsen vandaan?” vroeg de jongen. “Heb je wel eens die geelwitte vlinders gezien, met die twee zwarte vlekjes op hun vleugels?”

De jongen knikte. “Nou” zei de tovenaar, die noem je “koolwitjes” en het vlindervrouwtje legt haar eitjes op de koolbladeren. Uit die eitjes komen de rupsen en als die genoeg kool hebben gepeuzeld gaan ze zich verpoppen en worden vlinders. Hij bukte zich en pakte een grote rups van een blad, die zich direkt tot een spiraal oprolde.

“We kunnen ze samen vangen en voor het avondeten frituren, lekker knapperig in ei en paneermeel” zei de tove naar, terwijl hij de jongen van opzij aankeek. Deze keek eerst geschrokken en trok toen zo’n vies gezicht, dat de tovenaar het uitschaterde.

“Ik maak maar een grapje hoor” zei hij en legde zijn hand op de schouder van de jongen, die toen opgelucht keek. Toen vroeg hij bezorgd: “Wat gaan we dan met ze doen? Toch niet doodmaken, hè?” “Nee hoor” zei de tovenaar “we stoppen ze in een glazen pot, haal jij er één uit het tuin huisje?” De jongen rende weg en kwam even later hijgend terug met de pot. “Kijk” zei de tovenaar “als jij daar nu een laag aarde in doet, ga ik wat stokjes zoeken”.

Zo gezegd, zo gedaan en even later was het rupsenhuis klaar. De stokjes waren in de aarde gestoken en nu gingen ze samen de rupsen vangen. Ondertussen vertelde de tovenaar hoe het in zijn werk ging: “De stokjes zijn voor de rupsen die zich gaan verpoppen” zei hij “we geven ze een paar koolbladeren mee in de pot en slui ten hem af met een doek”.

Terwijl ze de rupsen in de pot stopten, werd het langzaam donkerder. “Is het nú al avond?” vroeg de jongen verbaasd en hij keek omhoog naar de zon. “Oh, kijk eens!” riep hij toen “er is een hap uit de zon!” Samen keken ze naar boven en de tovenaar zei:

“Een zonsverduis tering, dàt gebeurt niet elke dag!” De jongen vroeg: “Zons-ver-duis-te-ring? Wordt het dan helemaal donker straks?” En hij keek de tovenaar een beetje bang aan. “Weet je” zei de tovenaar “die hap uit de zon, dat is de maan. Die schuift vóór de zon, dan heb je drie balletjes op een rijtje: de aarde, de maan en de zon daarachter.

De zon is véél groter dan de maan, maar omdat hij veel verder weg staat dan de maan, lijken ze even groot”.Ondertussen werd de hap uit de zon steeds groter en het leek alsof de maan scheen. Overal werd het heel stil en de tovenaar en de jongen gingen erbij zitten.

Het werd ook een stuk kouder en toen de jongen huiver de legde de tovenaar zijn mantel om hen beiden heen.  Zo zaten ze samen en keken hoe het langzaam lichter werd. “Kijk, nu schuift de maan weer weg van de zon” zei de tovenaar. “Weet je dat veel mensen iets bijzonders doen tijdens een zonsverduistering?

Sommigen verstoppen zich omdat ze bang zijn en anderen gaan op trommels spelen en steken grote vuren aan en dansen en zingen met elkaar. Dan vieren ze dat de zon zijn licht weer laat schijnen en alles laat groeien en warmte geeft”. En hij pakte de hand van de jongen, stond op en samen deden ze een rondedans. De jongen lachte vrolijk en zong:     “De zon is terug, de zon is terug!” en de warme zonneschijn liet hun ogen ook stralen.

Toen dachten ze weer aan hun karweitje en terwijl ze naar de glazen pot liepen, zagen ze dat alle rupsen eruit gekropen waren en hun diner voort zetten in de rode kool.

10. DE TOVENAAR EN HET ELFJE                                                                                                           In de werkkamer, hoog in de toren, was het stil. Het geluid van de bladzijden, die de tovenaar van tijd tot tijd omsloeg, was het enige dat de stilte onderbrak. Een gouden herfstzonnetje scheen door de vensters en Tobias lag zich uitgestrekt te warmen op de vloertegels. Hij hoefde niet na te denken over de natuur en de zon, de maan en de sterren.

Brokjes in zijn etensbak en vissestaarten…. dàt was pas belangrijk! Als Tobias honger kreeg en zijn baasje de tijd vergat, ging hij zachtjes in de tenen bijten, die door de versleten pantoffels naar buiten staken. Al gauw liepen die pantoffels dan naar zijn etensbak.

Ondertussen werd er diep nagedacht in het hoofd dat, bóven de tafel, over het boek gebogen was. Waarom ging de zon steeds vroeger onder als het herfst werd? Waarom werden de boombladeren bruin en vielen ze eraf? Hoe wisten eekhoorntjes dat ze een voedselvoorraad moesten aanleg gen in de herfst? En ga zo maar door.

De tovenaar schreef en maakte er tekeningetjes bij. Hij was zó verdiept in zijn werk, dat hij het geritsel eerst niet hoorde, bij één van de vensters. Tobias had direkt zijn kopje opgetild en lag te kijken naar waar het geluid klonk. Wat kwam dáár nou tevoorschijn bij het venster? Een klein zilverharig hoofdje en twee groene oogjes keken voorzichtig over de rand de kamer in.

Één van de twee knipoogde naar Tobias, die verbaasd toekeek, zonder een snorhaar te verroeren. Weer ritselde het en kwam er een lijfje met twee armpjes en beentjes tevoorschijn. Het wezentje ging zitten en hield zich vast aan de klimop, die buiten tegen de toren omhoog  groeide. Déze keer hoorde de tovenaar wèl iets en hij keek op uit zijn boek. “Héla” zei hij zachtjes “wie hebben we daar?” en hij keek het wezentje vriendelijk aan.

Een klein fijn stemmetje klonk door de kamer, dat zei: “Ik ben een elfje en ik ben hier naar toe geklommen omdat ik zo graag wilde weten wat hier binnen te zien is…. ik stoor toch niet?” “Nee hoor” zei de tovenaar “ik ben wel blij met Uw bezoek, ik zit al te lang te studeren, mijn hoofd is er moe van. U bent welkom!” en hij sloeg het boek dicht, leunde achterover en legde zijn voeten op de tafel.

Het elfje keek met twinkelende oogjes naar de versleten pantoffels en gaf toen weer een knipoogje aan Tobias, die heus wel begreep dat ze géén muis was. Het elfje vroeg: “Wat bent U aan het stu-de-ren, gaat het over toveren?” “Nee” antwoordde de tovenaar “ik heb geen toverboeken, ik studeer over de natuur”.

“Oh?” zei het elfje “daar weet ik heel veel van. Kan je dat uit een boek leren?” en ze keek hem verbaasd aan. De tovenaar lachte en zei: “Hebt U het uit een boek geleerd?” en het elfje schudde haar hoofdje heen en weer, zodat haar zilveren haren voor haar gezicht hingen.

Toen vroeg de tovenaar: “Hebt U ook vleugels?” Het elfje begon boos te kijken en zei snibbig: “Ik ben een elfje en geen twaalfje! Twaalfjes hebben vleugels en tientjes wonen onder de grond bij de kabouters. Ik zei toch dat ik omhoog geklommen was?” en ze ritselde met de klimop die ze nog steeds vasthield.

De tovenaar keek het elfje zwijgend aan en vroeg toen vriendelijk: “Wilt U limonade? U hebt een lange reis ge maakt”. Het elfje knikte en zei: “Ja graag, dank U wel” en de tovenaar liep naar de keuken. Even later kwam hij terug met een grote beker voor zichzelf en een bloem van het vingerhoedskruid, voor het elfje. Ze pakte het met een blij gezichtje aan en dronk het in één keer leeg.

“Heerlijk” hijgde ze “ik proef rode bessen en frambozen, hmmmm!” De tovenaar nam een slok uit zijn beker en knikte. “Meestal drink ik dauwdruppels” zei het elfje “die liggen voor het oprapen tussen het gras, ‘s morgens vroeg. Als de zon schijnt hebben ze alle kleuren van de regenboog, schitterend mooi! De kabouters noemen het “kristalwater”.  

De tovenaar luisterde aandachtig en het elfje vertelde verder: “soms mag ik ook vliegen, op de rug van een hommel. Dan gaan we op bezoek bij de bloemen en krijg ik honing als ik help om ze wakker te maken. Het zijn soms echte luilakken, hoor!”

De tovenaar glim lachte en zei: “Ik vind het fijn, dat U eens op bezoek komt, ik wil graag met U praten over de natuur”. Het elfje zette de vingerhoed bloem op haar hoofd en zei: “Dan moet U de volgende keer in de tuin naar me uitkijken, dan vertel ik U nog veel meer”.

En ze stond op, maakte een buiging en een zwaai met haar hoed, draaide zich om en begon aan de reis naar beneden, langs de klimaf. De tove naar stond op, liep naar het venster en vroeg zachtjes: “Mag ik weten hoe U heet?” En tussen de bladeren klonk het fijne stemmetje: “Ja hoor, ik heet Twinkel, dáág…. en bedankt voor de limonade!”

(Waarschuwing voor de lezer: het is niet raadzaam om te drinken uit de bloem van het vingerhoedskruid, niet voor kinderen en ook niet voor grote mensen. De plant is giftig)

11.DE TOVENAAR GOOIT EEN BALLETJE OP.(waar gebeurd als ik speelde met Tobias, mijn kat)

Elke avond, als de schemer kwam, speelden de tovenaar en Tobias buiten op het grasveldje in de tuin. Toen Tobias nog heel klein was, had de tovenaar voor hem een balletje van wol gemaakt en aan een touwtje opgehangen. Tobias had het nèt zo lang als boksbal gebruikt tot het touwtje brak en nu was het een speelmuis geworden.

‘s Avonds nam de tovenaar het mee naar de tuin en, terwijl Tobias naast hem zat als een hondje, gooide hij het in het gras. Tobias vloog er op af en deed alsof het een prooi was waar zijn leven van af hing. Dàn lag hij op zijn rug, hield het in zijn voorpoten en trapte er tegenaan. Dàn mepte hij het door het gras, sloeg zijn nagels erin en schudde het vervolgens los, zodat het in de lucht vloog en achter hem neerviel.

Hij lag dan plat op de grond met woeste oogjes, zwiepte met zijn staart en rolde zich in één keer om, het balletje tussen zijn vier poten: Hebbes! Soms ging hij er bovenop liggen en keek als een broedse kip. Plotseling kwam dan het roofdier  in hem weer te voorschijn, rolde zich opzij en beet zich er in vast. Vaak bracht hij het in galop terug naar de tovenaar, legde het neer en miauwde.

Dan begon het weer opnieuw en de tovenaar lachte om de gekke clown in zijn zwart-witte bontjasje. Weet je wie er ook kwamen meedoen?Terwijl Tobias in het gras dartelde, draaide zijn kopje alle kanten op als een kleine zwarte schim geruisloos door de lucht schoot.

De tovenaar zag ze alleen als ze een wending maakten in hun fladdervlucht en van hem wegvlogen. Het leek of ze er plezier in hadden om boven het grasveldje hun achtjes te vliegen. Tobias wist niet waar hij kijken moest: naar de muis in de lucht of de muis in het gras! Dan zat hij beteuterd op zijn gat en gingen zijn oogjes en oortjes ieder een verschil lende kant op. Of vleermuizen kunnen schuddebuiken weet ik niet, maar de tovenaar kon het wèl!

12. DE TOVENAAR EN DE LIJSTERBESBOMEN (gebaseerd op mijn vergeefse actie om lijsterbesbomen te redden in mijn buurtje).

Op een ochtend schrok de tovenaar wakker uit zijn slaap. Uit de verte klonk het geluid van kletterende stenen. Hij stond op, sloeg zijn mantel om en liep naar het venster. Vanuit de toren had hij vèr uitzicht en aan de rand van het bos naast de tuin, zag hij een groot ding met draaiende rondjes heen en weer bewegen. Aan de voorkant van het ding was een grote schep waarmee stenen werden losgemaakt uit de grond.

Het grommende ding draaide zich om en gooide de stenen op een heuveltje verderop. Ah, ze gaan beginnen aan de dijk” dacht de tovenaar en hij herinnerde zich, dat zijn tuinhulpje het er laatst nog over had. Ze waren samen naar de rivier gelopen en hadden gezien waar de zwakke plek in de dijk zat. Dit najaar zou de rivier weer stijgen en om overstroming te voorkomen moest de dijk verstevigd worden. De tovenaar zag ook dat er 4 lijsterbesbomen stonden op die plek en zei tegen de dorps jongen:

“Deze boompjes wil ik graag verhuizen naar de tuin,  ik vind ze mooi en ze hebben hun werk als dijkwachters goed gedaan”. “Dijkwachters?” vroeg de jongen en hij keek de tove naar verbaasd aan. Soms vond hij de dingen die de tovenaar zei onbegrijpelijk, ook al waren ze vaak grappig.

De tovenaar antwoordde: “Ik denk dat ze ervoor gezorgd hebben dat de mensen uit jouw dorp konden zien dat de dijk hier zwak is: dit is de plek waar wandelaars meestal uitrusten, onder deze bomen. Snap je?” Nu begreep de jongen het en hij keek naar de bomen met hun vrolijke rode bessen.

“Hoe moeten we ze eruit krijgen? Dat is veel graafwerk” zei hij en de tovenaar knikte bedachtzaam, terwijl hij om de bomen heen liep. “Het is niet de tijd om ze te verplanten” zei hij tenslotte “dat kan pas eind november. Zólang wachten ze niet met de dijk. Laten we er nog maar even over nadenken, mis schien komt er een oplossing” en ze waren weer teruggelo pen naar de tuin. Vandaag was het dus zover!

Hij ging er direkt heen om te kijken. Terwijl hij het tuinmes aan zijn riem hing en zijn laarzen aantrok, gaf Tobias hem kopjes. “Je moet even wachten, ik ben zó weer terug” zei hij en liep naar de deur. Hij nam de kortste weg door de tuin en klom over het hek. Bij de plek waar de stenen werden verzameld stonden twee werklui met elkaar te praten.

Het grote ding met de schep stond stil en gromde niet meer. De tovenaar beende met grote stappen en wapperende mantel door de losgewoelde aarde en de twee mannen keken op bij zijn komst. “Wat komt hij nou doen?” vroeg de een aan de ander.

“Zijn handen uit de mouwen steken” zei de ander en hij riep naar de tovenaar: “Goeiemorgen, kom je ons helpen? we kunnen wel iemand gebruiken”. “Goeiemorgen, waarmee kan ik helpen?” zei de tovenaar en hij zag hoe ze naar zijn laarzen keken en zijn mantel met sterren: als een werkman zag hij er niet uit.

“We willen een stenen zitbank maken op de dijk, waar nu de lijsterbesbomen staan. Misschien heb jij daar kijk op?” vroeg een van hen. De tovenaar dacht na en zei toen:     “Dat lijkt me wel wat, zo’n uitkijkpost. Ik zal jullie helpen, maar eerst wil ik de takken van die 4 bomen afsnijden en thuis brengen. Dan ontbijt ik en kom hierheen, afgesproken?” “Oké” zei degene die kennelijk de leiding had “wij beginnen met het ophogen van de dijk, dan kunnen we tegen de tijd dat jij hier bent met de bank beginnen”.

Zo gezegd, zo gedaan. De tovenaar liep naar de dijk, maakte het tuinmes van zijn riem los en begon de takken van de lijsterbesbomen af te snijden. Met zijn armen vol liep hij daarna terug naar huis: een wonderlijke verschijning, nagekeken door de werklui, die niet durfden te vragen waarom hij die takken meenam. Later op de ochtend verscheen de tovenaar in zijn blauwe overall op de dijk en met z’n drieën pasten ze de blokken steen aan elkaar tot een prachtige zitbank.

De boompjes op de dijk waren verdwenen, maar de takken ervan, die de tovenaar in een donkere pot had gezet, kregen wortels. En toen het voorjaar kwam plantten de tovenaar en zijn tuin hulpje 48 jonge lijsterboompjes aan de rand van de tuin, die langs de dijk lag.       Zó kon het hele dorp nog lange tijd genieten van de “kinderen van de dijkwachters”.

 13.DE TOVENAAR EN HET CIRCUS. 

“Dzjing…. Dzjing…. Dzjing….” klonk het geluid van de koperdeksels: 2 muzikanten in kleurig kostuum liepen door het dorp en kondigden het circus aan. De kinderen keken met grote ogen naar hun Turkse muilen, waarvan de punten omhoogkrulden. En naar de gouden ringen in hun oren die meedansten op de muziek. Je weet toch wel wat Turkse muilen zijn, hè?

Achter de 2 mannen aan liep het vreemdste dier dat ze ooit gezien hadden: het leek op een paard maar had een veel langere hals, waaraan de kop hoog boven allen uitkeek, met ogen die lange wimpers hadden. Op de rug van het beest zaten twee bulten en daartussen zat een jongen met zwarte ogen die net zo trots keken als die van zijn rijdier.

Schommelend stapte het gezelschap langs de dorpsbewoners die druk fluister den over deze vreemde verschijning. Heb je al geraden wat het is? Nee…. het is geen dinosaurus, want die zou gedacht hebben dat zijn eten netjes in de rij was gaan staan. In elk geval was iedereen nieuwsgierig en dat was de bedoeling ook! In een groot weiland aan de rand van het dorp werd het circus opgezet en dáár was ook de tovenaar te vinden.

“Zo meteen gaat de grote tent omhoog” zei hij tegen zijn vriend, de dorpsjongen. Lange touwen zaten aan de tentmast en sterke kerels liepen naar elkaar te schreeuwen om gezamenlijk de mast te hijsen. Daar doorheen klonk het gebalk van ezels, het gehinnik van paarden, geklop uit de koperslagerij en gekraai van hanen. Die waren hun kippenharem kwijt en zetten een keel op!

Misschien denk je nu: “Wat moeten kippen in een circus?” Nou, dat zal ik je vertellen: die kippen kunnen één bijzonder kunstje…. ze leggen eieren. Niet in de circustent, maar in hun hok. Daarna doet de circuskok zíjn kunstje en maakt er omeletten van. Daar eten de circusartiesten van en kunnen dan hùn kunstjes doen. Ondertussen liepen de tovenaar en zijn vriend om de grote tent heen, die met touwen aan palen in de grond werd vastgezet.

Aan de rand van het weiland was een aarden hut met takken gebouwd. Door ronde gaten in de voorkant viel de gloed van vuur op een man die een lange stok in zijn mond hield. Zijn bovenlijf droop van het zweet. “Hé…. dat moet ik zien” zei de tovenaar en hij liep er op af. Toen zag hij dat er onderaan de stok een gloeiend klompje zat waar de man een bolletje uit blies. Nèt zoals wanneer je zeepbellen blaast.

De glasblazer stak het eind van de stok in het vuur en nu zat er een grote klomp aan, gloeiend rood. Hij begon weer te blazen en er verscheen een bol zo groot als een voetbal.   De glasblazer maakte er een opening in, draaide de stok snel rond en zwaaide hem omhoog. De bol waaierde uit tot de vorm van een schaal en iedereen om hem heen riep: “Ooooh!”

Maar de kunstjes waren nog niet afgelopen! De man begon de stok, met de schaal eraan, heen en weer te slingeren, waardoor de randen ging golven! Hij riep zijn knecht, die met een grote vork aan kwam rennen. Deze werd onder tegen de schaal aangehouden, de glasblazer tikte de stok los van de schaal en nu kon iedereen het kunst werk zien: doorschijnend lichtblauw met rode strepen erin.

Er klonk applaus en de schaal werd in de afkoel-oven gezet. De tovenaar stond met glinsterende ogen te kijken en zei: “Ik wil hem iets laten zien!” Hij besloot direct naar huis te gaan en het te halen. Zijn vriend ging maar al te graag mee. Pas toen ze in de toren kamer waren, begreep de jongen wat de tovenaar bedoelde. Wat denk je dat het was? (Als je verhaal 3 hebt gelezen, weet je het wel) .

Ze pakten de spullen in een doek en droegen ze samen naar beneden. “Pluk jij een paar appels?” vroeg de tovenaar “dan hebben we iets te eten bij ons” en de jongen klom als een aap in de appelboom. Het stel ging richting circus en daar aangekomen, zochten ze de glasblazer.

In de buurt daarvan zetten ze de verrekijker op het statief. De tovenaar zag er uit als een circusartiest in zijn mantel met sterren. Vooral kinderen drongen om hem heen en vroegen:  “Wat bent U aan het doen?” of “Wat is dat meneer?” De tovenaar stelde de verrekijker af op een kraaienkolonie, die zich verzameld had in een hoge boom. Deze was zo ver weg, dat je hem met het blote oog niet zag. Toen riep hij: “Wie wil er kijken?”

“Mag ik?” “Mag ik?” “Mag ik?” klonk het om hem heen en de jongen riep: “Wie in de rij gaat staan mag kijken!” Dat was goed geregeld. Één voor één keken de kinderen door de verre-kijkglaasjes en vertelden wat ze zagen. De tovenaar vertelde hoe hij zijn uitvinding gemaakt had en al gauw zat er een troep kinderen om hem heen te luisteren.

De glasblazer zat tussen hen in en lachte toen hij hoorde hoe Tobias met vier poten tegelijk in de lucht sprong (verhaal 3). Toen de tovenaar zo schor was als de kraaien in de boom, vroeg hij de jongen om het over te nemen, haalde twee appels uit zijn rugzak en wenkte de glasblazer. Hij was benieuwd wat die over zijn kunstjes kon vertellen. Alle dagen dat het circus er was, hielp de tovenaar bij de glaswerkers en ‘s avonds als de hemel helder was, liet hij de glasblazer door de verrekijker de maan zien. Die geloofde, net als de tovenaar, dat de maan rond was. Het werden twee vrienden met een geheim!

13 VERHALEN OVER ELFJE TWINKEL EN HAAR NIEUWE VRIENDEN.

Deels “autobiografisch” in symbolische zin. Geschreven (en geïllustreerd in handgemaakte boekvorm)  Herfst 1999

1. ELFJE TWINKEL VALT UIT EEN ZONNEBLOEM.

Op een dag besloot de tovenaar het elfje op te zoeken in de tuin. Het was al bijna oktober en vandaag scheen de zon, daar moest hij gebruik van maken. De kleuren in de tuin waren nu weer heel anders dan in de zomer: veel paarsblauw van de herfstasters en hier en daar nog wat zonnebloemen, die hun donkere hart met een krans van gele bloembladeren toonden.

De pompoenplanten, die met hun lange stengels over de aarde kropen, droegen veel oranje vruchten, sommige rond als een bal en andere scheef en ingedeukt: niet één was hetzelfde, net als wij…. De tovenaar keek naar de spinnewebben en griezelde af en toe, als hij een grote dikke kruisspin zag zitten midden in haar web.

Hij moest opletten dat hij er niet tegenaan liep, sommige hingen precies boven het paadje. s’ Morgens vroeg glinsterden ze van de dauwpareltjes, dan kon je ze goed zien. Heb je wel eens zo’n mooi borduurwerkje gezien? Elfje Twinkel was niet tevoorschijn gekomen, ook al had de tovenaar haar een paar maal geroepen.

Steeds bukte hij zich onder een web door en toen hij overeind kwam bij een hoge zonnebloem en nog eens goed rondkeek, voelde hij een tikje op zijn hoofd. Hij keek omhoog en daar zag hij het elfje, in het hart van de zonnebloem. “Goeiemorgen Twinkel” zei de tovenaar “daar ben je dan”. “Goeiemorge…” zei Twinkel met haar mond vol en ze stak hem een zonnebloempit toe.

“Ik zit midden in mijn ontbijt”. “Ja, dat zie ik” zei de tovenaar, terwijl hij het hapje aanpakte “smaakt het?” Het elfje knikte en nam een grote hap. De tovenaar pelde de schil van de pit los en stak hem in zijn mond. Het elfje moest lachen, toen ze het muize hapje in zijn mond zag verdwijnen. Ze verslikte zich en ver loor haar houvast.

Ze tuimelde met een gilletje naar beneden, maar gelukkig hield de tovenaar zijn hand eronder en ving haar op. Daar zat ze met een knalgroen hoofdje te proesten, terwijl ze de verblufte tovenaar aankeek. Zoiets had hij ook nog nooit meegemaakt! “Waar wilt U dat ik U neerzet?” vroeg hij verlegen. “Terug in mijn ontbijt graag” zei Twinkel en ze wees omhoog.

Voorzichtig bracht de tovenaar zijn hand tot bij de zonnebloem en het elfje greep zich eraan vast. “Dank U wel, voor het opvangen” zei ze “ik zal maar niet meer zo lachen hierboven” en ze trok een ernstig gezichtje, terwijl ze haar ontbijt voortzette. Nu was het de tovenaar die proestte, maar hij hield er gauw mee op toen het elfje hem streng aankeek.

“Neemt U mij niet kwalijk, elfje Twinkel” zei hij en ze gaf hem een handje vol zonnebloempitten. Het was het een poosje stil, terwijl ze aten. “Zo…… klaar”, zei het elfje en ze klom langs de stengel naar beneden. “Zullen we een stukje wandelen? Dan zal ik U over de natuur vertellen”, zei ze en ze stapte op zijn schouder. “Oh…. graag” zei de tovenaar “ik moet er nog aan wennen dat U geen vleugels hebt, ik dacht even dat ik U zou zien vliegen in de tuin”.

Twinkel maakte een ongeduldig sprongetje op zijn schou der en zei: “Ik heb U toch verteld van de twaalf jes en de tientjes, nou dan!” “Eh…. ja,ja” zei de tovenaar veront schuldigend en hij be- greep dat ze over iets anders moesten praten. “Houdt U goed vast” zei hij “we gaan lopen”. En daar gingen ze, eerst nog wat onwennig, maar al gauw slenterde de tovenaar op zijn gemak, met Twinkel naast zijn oor, over het tuinpad.

Ook de gymnas tiek bij de spinnewebben ging goed en als ze er onder door gingen riep Twinkel steeds: “Goeiemorgen Frieda” of “Goeiemor gen Henriëtte” en ze vertelde dat ze vaak op bezoek ging bij de dames kruisspin. “Zo geduldig als zij kunnen weven!” zei ze “elk jaar maken ze een winterjas voor me…. met zakken erin, knap hè?” De tovenaar glimlachte en vroeg “waarvàn maken ze die winter jas dan?”

“Nou, van hun spindraden natuurlijk, daar hebben ze altijd genoeg van bij zich” zei Twinkel “en dan kom ik hem vaak passen en drinken we kopjes dauw, héél gezellig”. De tovenaar griezelde stilletjes bij zichzelf en hoopte maar dat hij niet uitgenodigd werd. Gauw liep hij een stukje verder om de rode besjes van de kamperfoelie te bekijken, terwijl elfje Twinkel zwaaide naar de dikke grijze duif, die op een tak, vlak boven haar, zat te roepen: “Roekoe…. roekoe”.

 2.ELFJE TWINKEL EN TOBIAS WORDEN VRIENDEN.

Op een herfstavond, vlak na zonsondergang, trippelde Tobias de wenteltrap af naar de tuin. De wind floot om de toren en donkere wolkenflarden gleden voorbij tegen het licht aan de horizon. Ritselend waaiden de bladeren op en de wilgen bogen zich ver voorover aan de rand van de tuin.

Heel wat spinnewebben raakten los en hingen als vodjes aan de takken. Gelukkig zijn de dames Kruisspin heel geduldig en krijgen nooit genoeg van het weven. Elfje Twinkel zat vrolijk te zingen en schommelde heen en weer aan de taaie stengels van de kamperfoelie.

Ze had zojuist gedineerd met de Eekhoorn in restaurant Beukenburcht en was een beetje teut van de vlierbessenwijn. Ondertussen dartelde Tobias door de tuin en joeg de bladeren achterna…. of was het andersom? Af en toe kraakte een tak los en viel met een plof op de bladeren. Tobias schoot van schrik onder de struiken en keek met ronde zwarte oogjes naar het vreemde ding: was het een beest? Voorzichtig sloop hij naderbij en snuffelde eraan….

Hij rook bladeren en aarde. Met zijn poot tikte hij ertegen aan. De tak bewoog een beetje maar gaf geen kik. Tobias ging plat op de grond liggen en zwiepte met zijn staart. Toen ging hij tot de aanval over,  landde bovenop de tak en klemde zijn poten eromheen. Ai,ai! Wat deed dat pijn! Een scherpe doorn stak in de kussentjes van zijn linkervoorpoot en Tobias sprong met een schreeuw weg, veilig onder een struik.

Hij likte aan zijn poot, maar de pijn ging niet weg, de doorn zat er diep in. Geschrokken bleef hij een poosje op zijn bips zitten met opgeheven pootje en sloop toen onder de struiken door,  zo ver mogelijk weg van dat gevaarlijke beest. Zo kwam het dat Twinkel hem vanuit de kamperfoelie ontdekte, hinkend en af en toe stil zittend om aan zijn poot te likken.

Ze zag dat Tobias pijn had en vanaf haar schommel riep ze: “Hallo Tobias, wat is er met je poot?” Tobias keek omhoog en zag het elfje met haar zilveren haren. “Kunt U me helpen? Ik ben gebeten door een vreemd beest, dat uit de lucht kwam vallen”. Twinkel klom naar beneden en liep naar hem toe. Met haar beide handjes pakte ze zijn poot vast en keek hem met haar groene oogjes aan. “Wil je alsjeblieft je nagels inhouden, dan kan ik kijken wat er aan de poot is” vroeg ze.

“In orde” zei Tobias  “ik zal me inhouden” en Twinkel voelde aan de rose kussentjes. “Ja, ik zie het al” zei ze, “een doorn. Ik zal proberen hem eruit te trekken, dan moet je gaan liggen en je poot uitstrekken”. Zo gezegd, zo gedaan, Twinkel pakte de doorn vast, zette zich schrap en trok…. en trok…. tot de doorn langzaam loskwam. “Mi-auw, Mi-auw, riep Tobias, maar hij bleef rustig liggen.

“Nog een klein stukje” riep Twinkel hijgend en ineens schoot de doorn eruit, waarbij het elfje achterover op de grond viel. Ze lachten allebei en rolden door de bladeren. Die nacht sliep Twinkel onder een warm dekentje: de vacht van Tobias.

 3. ELFJE TWINKEL VRAAGT OM HULP.                                                                                         Elfje Twinkel klopte tegen het raam van de torenkamer. Het waren zachte tikjes, want een elfenhand is niet zo groot. Daarom was Tobias de enige die het hoorde. Hij liep naar zijn vriendinnetje toe en riep:

“Hoi Twinkel, wat leuk dat ik je zie!” De tovenaar, die in de keuken zijn boterham zat te eten, hoorde “Miauw, Miauw” uit de kamer. Daar was niets vreemds aan, dus nam hij op zijn gemak nog een hap en een slokje thee. Even later kwam Tobias de keuken ingelopen, keek zijn baas aan en zei: “Kom vlug, er is bezoek!”

De tovenaar verstond dit niet, maar begreep nu wel dat er iets aan de hand was en liep achter Tobias aan de kamer in. Weer klonken er zachte tikjes tegen het raam, Tobias ging tegen de muur onder het venster omhoog staan en keek zijn baas aan.

“Ha, wie hebben we daar? Hallo Twinkel” riep de tovenaar, toen hij het groene gezichtje met de zilveren haren zag. Hij opende een klein elfendeurtje in het raam, dat hij speciaal voor haar gemaakt had en het elfje stapte naar binnen. “Koudemorgen….” zei ze bibberend, “zet me alstublieft bij de haard, ik bevries!”

De tovenaar liet haar in zijn hand stappen en bracht haar bij het vuur. Twinkel klom op één van de bergkristallen en warmde zich een poosje zwijgend aan de vuurgloed. De tovenaar maakte een vingerhoedje warme chocolademelk klaar en bracht het naar Twinkel.

“U hebt een lange tocht gemaakt door de kou, dan zal er wel iets bijzonders aan de hand zijn” zei hij, terwijl hij op de schapevacht ging zitten. Twinkel knikte en nam een slokje.    Ze keek niet zo vrolijk als anders. “Zou U me kunnen helpen met een probleem?

Mijn peettante, die in de heuvel woont achter de paardewei, heeft het vreselijk koud. Ik probeer haar te helpen, maar ze luistert niet naar mij. Ze doet heel hooghartig en streng. Misschien wil ze met U wèl praten en ont dooit ze een beetje, zou U met mij mee willen gaan om haar te bezoeken?”

“Dat wil ik wel doen” antwoordde de tovenaar, “als ik U kan helpen doe ik dat graag”.   “Oh, wilt U dat echt doen?” vroeg Twinkel en ze keek hem verrast aan. Er rolden een paar groene traantjes uit haar ogen, zó blij was ze. De tovenaar keek haar vriendelijk aan en begreep wel dat ze veel van haar peettante hield. En Tobias, die al die tijd aan zijn voeten lag, liep naar Twinkel toe en likte haar traantjes af terwijl hij tegen het kristal omhoog stond. Ze giechelde, toen ze zijn rasptong op haar wang voelde en aaide hem over zijn neus.

”Ga je ook mee, Tobias, alsjeblieft?” vroeg ze en Tobias zei: “Stap maar op mijn rug, dan gaan we zó op reis”. De tovenaar kon dit laatste niet verstaan, maar zag hoe Twinkel zich liet zakken en in de warme vacht van Tobias wegkroop. “Zullen we vandaag gaan?” vroeg ze en haar groene oogjes keken weer vrolijk. “Tobias gaat ook mee”.

 “Oh, dat is goed” zei hij en stond op om zijn warme jas en laarzen aan te doen. “Ik neem wat eten mee voor onderweg” riep hij uit de keuken en even later deed hij zijn rugzak om, opende de deur en liet Tobias met Twinkel vóórgaan, de trap af naar beneden.

 4. DE DRIE VRIENDEN GAAN OP REIS.                                                                                     Terwijl Twinkel zich stevig vasthield aan de vacht van Tobias, volgde de tovenaar hen met grote stappen, de wenteltrap af naar beneden. De oosten wind floot om de toren en toen de tovenaar de buitendeur opende sneed de kou hem de adem af. Hij wikkelde zijn sjaal om zijn neus en mond en bukte zich voor over naar zijn twee kleine vrienden.

“Lopen jullie maar voorop, ik wil graag stevig doorstappen, dan houd ik het tenminste warm”. “Goed” zei Twinkel, die een oor van Tobias vastpakte en riep: “door de paardewei en dan achter de heuvel langs”. “Mie-auw” zei Tobias en dat betekende “schreeuw niet zo in mijn oor!” “Sorry” zei Twinkel zachtjes en ze klopte hem op zijn kop.

Het gezelschap ging op pad. Om hen heen was de tuin kaal, bruin en grijs: de winter was streng. Alleen het blauw van de lucht tussen de wolken gaf een beetje kleur aan de dag. Tobias trippelde naar het hek en liep de paardewei in. Zwarte Maan, het paard van de tovenaar, stond op stal. Als hij geweten had dat zijn baas op reis ging was hij maar al te graag meegegaan!

De wandelaars verlieten het vlakke terrein en begonnen de heuvel te beklimmen. Hun adem kwam in wolkjes naar buiten, twee kleine en een grote. “Zó wil ik altijd op reis” zei Twinkel, terwijl ze met glinsterende oogjes om zich heen keek. De tovenaar glimlachte om zijn parmantige vrienden en genoot tijdens het klimmen, bij het vooruitzicht van een onbekend avontuur.

Hij kende elfje Twinkel nu een poosje en ze had hem veel verteld over de natuur, maar van haar familie wist hij niet veel. Alleen dat er twaalfjes waren met vleugels en dat de tientjes bij de kabouters woonden. Elfje Twinkel werd kribbig als hij naar haar familie vroeg en daarom begon hij er maar niet over. Tóch vroeg hij haar, toen ze bovenop de heuvel uitrustten: “Mag ik vragen of Uw peettante een elfje is?” Twinkel liet zich van Tobias afglijden en klom op zijn knie met een ernstig gezichtje.

Ze nam een kruimel van de boterham en kauwde er bedachtzaam op. “Ik weet het eigenlijk niet” antwoordde ze toen, “ik heb haar nog nooit goed gezien. Ze woont namelijk in een ijsgrot en komt nooit van haar plaats. Alles is wit en bevroren. Ze praat alleen over hoe vies alles is buiten haar huis en dat er nooit iemand is die naar haar luisteren wil. Daarom vertelt ze niets meer over zichzelf. Ze klaagt alleen nog over de kou, terwijl ze bevriest op haar stoel van ijs”.

Tobias die meegeluisterd had, draaide zijn kop naar haar toe en zei: “ Dan is ze vast een ijsje en geen elfje die van de zon houdt zoals jij”. “Ik weet het niet” zei Twinkel treurig, “ik hoop dat we haar kunnen helpen om weer warm te worden”. De tovenaar keek haar vriendelijk aan en gaf haar een stukje appel. “Als we uitgerust zijn, gaan we haar bezoeken. Het is toch niet meer ver?” vroeg hij. Elfje Twinkel schudde haar zilveren haren heen en weer en keek hem dankbaar aan.

 5. OP WEG NAAR TWINKEL’S PEETTANTE.                                                                             Nadat de drie vrienden op de heuveltop hadden gerust, maakten ze zich klaar om de reis te vervolgen. De ijsgrot van Twinkel’s peettante lag aan de voet van de heuvel, tussen verweerde grijze rotsblokken. Heuvelaf ging het snel en Twinkel gaf aanwijzingen om een smal paadje te volgen. Tot zijn verras sing zag de tovenaar dat ze stilstonden bij een opening in de grond, die nauwelijks opviel binnen een halve cirkel gestapelde stenen.

“Dit is de ingang” zei Twinkel “het gaat eerst een stukje naar beneden en dan komt er een gang”. “Is het daar niet heel donker, onder de grond?” vroeg de tovenaar. Het elfje knikte. “Er ligt een tondel doos beneden en fakkels, ze zijn wel klein, maar als we er allebei één dragen geven ze genoeg licht”.

Voor Tobias was het niet moeilijk om in het donker te zien en ze besloten dat hij met Twinkel vóór zou gaan. De vrienden daalden af door de opening waar de ongelijke stukken rots een trap vormden. De tovenaar moest zich bukken en volgde zijn vrienden die in het aarde-donker verdwenen.

Hij hoopte dat ze gauw licht konden aansteken. “Brrr, wat is het hier vochtig en koud” dacht hij, terwijl hij op de tast door een gang liep. Ondertussen liep Tobias met Twinkel op zijn rug over de rotsige bodem, zonder geluid te maken. Zijn oren gespitst, zijn ogen wijd open en met zijn neus de geuren opsnuivend, die uit de tunnel kwamen. Twinkel fluisterde in zijn oor: “Nog een klein stukje, dan vinden we de fakkels”. Vóór hen verscheen een lichtschijnsel dat door een kier in de rotsen boven hen naar binnen kwam.

“Kijk, daar liggen ze” wees Twinkel en de vrienden stonden stil in een hoge schemerige ruimte. De tovenaar keek opgelucht om zich heen en zag de ijskristallen flonkeren op de wanden. Twinkel liet zich van Tobias glijden, liep naar de tondeldoos en maakte vuur.         De tovenaar pakte twee fakkels en stak ze aan. Twinkel klom weer op haar warme plaatsje en nam haar fakkel aan.

Tobias keek een beetje benauwd en zei: “Pas je op, dat je mij niet in de brand steekt?” en hij legde zijn oren plat tegen zijn kop. Twinkel lachte en zei: “Gekkerd, wees maar niet bang, ik hou hem zo hoog mogelijk”.  En terwijl ze de fakkel boven haar hoofd hield, keek ze de tovenaar aan en vroeg: “Klaar om te gaan?”

Hun schaduwen op de wanden dansten en die van de lange scherpe neus van de tovenaar ging een paar maal op en neer. Ze vervolgden hun reis door de tunnel, de tovenaar vond het opeens niet meer zo koud en bij het gele fakkellicht keek hij nieuwsgierig om zich heen.

Dieper en dieper daalden ze af onder de heuvel en er verschenen ijspegels en ijsgordijnen langs de wanden. Hier en daar was ook de bodem bedekt met ijs en één keer moesten ze een bevroren meertje over.

Tobias zette een poot voorzichtig op het ijs, toen de andere en de volgende…. nog een stapje en PLOFFFF! daar gleden zijn poten onder hem weg. De tovenaar lachte, toen hij Tobias plat op zijn buik zag liggen en Twinkel giechelde. Het geluid weerkaatste van alle kanten en klonk zó ijzig dat ze geschrokken ophielden. De tovenaar bukte zich, tilde de buikschuiver op, liep met hem naar de overkant en zette hem weer op zijn vier poten neer. “Gaat het ?” vroeg hij terwijl hij hem over zijn rug aaide. Tobias miauwde en Twinkel ver stond: “Nou moe…!”

Ze kriebelde hem achter zijn oor en zei: “Nu komen er geen glijbanen meer, dus maak je geen zorgen”. Tobias begon te spinnen en genoot met half dicht geknepen oogjes. Ze bleven een poosje zitten bij het warme licht van hun fakkels en aten wat nootjes, die de tovenaar uit zijn rugzak toverde. “Ik hoop dat Uw peettante ons wil ontvangen” zei hij, “komt ze wel eens buiten de heuvel?”

“Nee, nooit meer de laatste tijd” zei Twinkel, “ze is bang voor de zon, ze kan alleen het witte licht verdragen in haar ijsgrot”. De tovenaar dacht na en begreep dat Twinkel’s peettante het moeilijk had. “We hebben niets meegenomen voor haar, denk je dat dat erg is?” vroeg hij. “Wat we haar kunnen geven is altijd bij ons en dat is vriendelijkheid.            In Uw ogen kan ik daar heel veel van zien” antwoordde Twinkel en ze keek hem aan terwijl het ook in haar oogjes zat. De tovenaar werd er verlegen van en begon Tobias te aaien, die aan zijn voeten lag.

6. HET BEZOEK AAN DE IJSGROT.

Het laatste stuk van de reis in de heuvel was begonnen en de drie vrienden liepen tussen grillige ijsvormen en reusachtige ijspegels. De fakkels hadden ze niet meer nodig, een wit licht straalde uit de ijsmuren en liet alles glinsteren in ijsblauw en zilver. Het was net een sprookje waarin 3 vreemdelingen van vlees en bloed verdwaald waren. Twinkel stond op de schouder van de tovenaar en Tobias zat onder zijn jas met zijn kop achter zijn baard en nieste. Twinkel giechelde en trok de baard opzij.

“Ssst!”, zei ze en legde een vinger op haar lippen. “Haal dat gekriebel voor mijn neus weg” zei Tobias kattig “leg er een knoop in voor mijn part!” Dat vond Twinkel een goed idee en even later proestte ze van het lachen, toen de tovenaar beteuterd langs zijn neus naar zijn baard keek. “Hoe komt U op het idee!” zei hij met een half lachje.

“Ik niet, Tobias!” zei Twinkel “Uw baard kriebelt in zijn neus”. “Oh, zit dat zo!” zei hij en de baard in de knoop wipte op en naar, waardoor Twinkel moest gaan zitten van het lachen. “Sssst!” zei ze met een knalgroen hoofdje tegen zichzelf en toen gingen ze in stilte verder.Toen Twinkel een verlichte opening zag, vóór hen uit, sprong ze overeind en fluisterde in het oor van de tovenaar: “We zijn er, zet U me alstublieft neer, dan ga ik eerst alleen naar binnen”.

De tovenaar liet haar op zijn hand stappen en even later stapte Twinkel op haar kleine beentjes door de opening van de ijsgrot: een groen elfje temidden van zilverblauw ijs. Midden in de grot was een ijsberg waarboven lange ijspe gels aan de zoldering hingen als tralies. Daartussen zat een witte onbe weeglijke gestalte, rechtop en streng. Niets was er te horen dan het geluid van glas, wanneer een ijspegel brak.

“Dag peettante, Uw elfje Twinkel is hier” klonk een helder stemmetje door de grot. Niets bewoog, alles was stijf en bevroren. Twinkel liep de trap op naar de ijstroon, waar haar peettante zat en zag dat ze helemaal bedekt was met een laag ijs. Er doorheen kon Twinkel nog iets zien van het gezicht en terwijl ze haar hoofdje vlakbij dat van peettante hield, zag ze de ogen opengaan en haar smekend aankijken.

“Peettante U bent aan ‘t bevriezen!” zei Twinkel en ze begon groene traantjes te huilen, terwijl ze haar armpjes om de ijsgestalte sloeg. Het was maar goed dat haar peettante niet kon praten met haar bevroren mond, anders had ze vast gezegd: “Kind, stel je niet zo aan en gedraag je!” Zó dichtbij als nu, was Twinkel nooit gekomen en ze huilde omdat ze voelde hoe ze haar peettante miste. Haar groene traantjes vielen op het ijs en lieten het smelten. Water stroompjes gleden naar beneden en het hoofd van peettante begon te ontdooien.

7. ELFJE TWINKEL STELT HAAR VRIENDEN VOOR.

Nu waren het ook traantjes van blijdschap, die op het harnas van Twinkels peettante vielen. Ze keek in de ogen die net zo groen als die van haar zelf waren en zei: “Peettante, ik heb twee vrienden meegebracht, ze staan buiten te wachten in de gang”. Er kwam geen antwoord en Twinkel besloot om de anderen te gaan halen. Ze liep de trap af en trippelde terug naar de opening, waardoor ze zojuist binnen was gekomen. Ze wenkte hen om dichter bij te komen en even later stonden ze allemaal voor de ijstroon.

“Peettan te, dit zijn de tovenaar en zijn poes Tobias” zei Twinkel.  Nog steeds was de mond van peettante bevroren en Twinkel wenkte haar vrienden, terwijl ze de trap besteeg.  De tovenaar keek met verbazing naar de ijzige gestalte en de stangen van ijs om haar heen, terwijl hij de trap opliep met Tobias in zijn jas.

Toen zag hij de groene ogen die hem verschrikt aankeken en hij zei: “Dag peettante van Twinkel, ik ben meegekomen omdat Twinkel mij om hulp vroeg. Ze heeft me verteld dat U vastgevroren zat.  Kan ik iets voor U doen?” Zwijgend keken ze elkaar aan en onder zijn vriendelijke blik vulden de groene ogen zich met gesmolten tranen.

Nu ging de ijslaag ook van binnenuit ontdooien en langzaam begon het hoofd van peettante tevoorschijn te komen. De tovenaar en Twinkel gingen op de traptreden zitten en wachtten.Tobias keek vanuit zijn warme holletje nieuwsgierig rond naar de zilver blauwe schittering om hem heen.

“Geen kachel, geen zacht kleed om op te liggen, geen plekje zon…. brrr, niets voor mij!” dacht hij. Hij keek omhoog naar de ijsgestalte en ontmoette twee groene ogen die hem verbaasd aankeken. Nu begreep hij, dat dit de peettante van Twinkel moest zijn en hij zei: “Miauw, houdt U van kou?” Deze keer kwam er wèl antwoord uit de mond van peettante: “Wil je niet zulke brutale vragen stellen, harig beest!”

Nou, je kon horen dat het al wat beter ging met haar. Twinkel verbeet haar lach achter het oor van de tovenaar, die eventjes pretlichtjes in zijn ogen kreeg. Toen zei hij beleefd:  “Vindt U het goed, dat we hier een poosje blijven zitten, of wilt U dat we weggaan?” “Oh nee, het was heel verstandig van Twinkel om U mee te nemen. Ik kan me bijna niet meer bewegen, U moet me helpen!” klonk het hooghartige antwoord.

“U heeft aan Twinkel te danken dat U weer spreken kunt, mevrouw en ik wil van U graag horen waarom U hier zit te bevriezen”. De groene ogen keken verschrikt in die van de tovenaar en even was het stil. “Goed, ik zal U vertellen waarom” zei ze met een diepe zucht. Er sprong een barst in de ijslaag om haar hals.

8. HET VERHAAL VAN TWINKELS PEETTANTE.

“U moet weten” begon ze “dat ik ben opgegroeid in het donkere woud. We woonden in een oud vogelnest, hoog in een eikeboom en ‘s zomers was de blauwe hemel onze school en speelplaats. Ik was het liefst dag en nacht met mijn familie in de lucht en ik kwam ‘s avonds vaak te laat thuis. Dan kreeg ik geen eten en moest alleen in een hoekje zitten. Ze vonden mij een rare en plaagden met altijd, door me “Blauwtje” te noemen.

Terwijl ze niet verder durfden dan de rand van het woud en ik altijd kersen meebracht van de rivierkant. Het was het lekkerste toetje, waar iedereen van smulde en toch bedankten ze me nooit!” De groene ogen van peettante vulden zich weer met tranen en vielen op de ijslaag om haar borst. De drie vrienden aan haar voeten zagen het ijs smelten en zwegen.

Als de herfst kwam verveelde ik me altijd in de eikeboom en de storm en de regen maakten ons huis kapot, zodat we in de grond de winter doorbrachten. Daar was het zó donker en benauwd, bah…. ik haat die natte kleffe bladeren en schimmels! Ik snap niet dat mijn familie het fijn vond om de hele winter in een donker hol te zitten en beukenootjes te pellen. Op een winterdag hield ik het niet meer uit thuis en maakte een lange tocht op de rug van een wolf. Hij bracht me tot bij deze heuvel en kroop de tunnel in die jullie zojuist zijn doorgelopen.

Zó heb ik deze ijsgrot ontdekt”. Ze onderbrak haar verhaal door om zich heen te kijken naar de ijssprookjes die ze in de loop van de tijd had uitgehakt. Dit was haar blauwe hemel, waar het altijd schoon en helder was en waar ze alles maakte naar haar wensen. Ze was er wèl alleen en het was er altijd koud, niemand wist van het bestaan af in het begin. “Het was mijn geheim” vervolgde ze haar verhaal “en niemand plaagde me hier, zelfs de storm en regen kwamen hier niet binnen.

Steeds vaker vluchtte ik hierheen en bleef ook ‘s nachts weg. Ik maakte muziek op deze ijs-stangen en hakte ijsfiguren uit. Zo maakte ik mijn paleisje en ik voelde me er steeds meer thuis. Toen heb ik mijn familie verteld dat ik een huis had gevonden dat nooit kapot ging, waar het nooit stonk en dat ik daar ging wonen. Niemand protesteerde en ik denk dat ze blij waren dat ik wegging”. Nu kwamen er nieuwe tranen en de tovenaar keek haar met  vriendelijke ogen aan.

“Wat moet het moeilijk zijn geweest om zó alleen te zijn en nooit iets liefs te horen van iemand” zei hij. “U heeft zulke bijzondere gaven en doet dingen die anderen niet durven, dat vind ik erg moedig” Er kwam een snik uit peettante en het restje van de ijslaag om haar borst barstte in stukken. Twinkel maakte een sprongetje op de schouder van de tovenaar en zei: “ Ik ben zó blij dat ik Uw verhaal mag horen en ik vind U heel dapper!” Haar peettante zuchtte een paar keer diep en voelde eindelijk dat ze wat warmer werd.

9. PEETTANTE VERTELT VERDER.

“Mijn familie kwam nooit op bezoek om eens te zien hoe ik hier woon en als ikzelf buiten kwam deed ik dat ‘s nachts, het liefst bij volle maan, dan is alles zo mooi blauwwit, een beetje zoals hier in de ijsgrot. Ik werd bang dat de zon het ijs zou laten smelten en kreeg last van mijn ogen als ik overdag naar buiten ging, ik verdroeg het licht van de zon niet.

Twinkel is de enige die me komt bezoeken en ook al ben je mijn petekind, ik ben altijd bang dat je rare dingen over mij gaat vertellen aan de familie. Dat is de reden waarom je zo weinig over mij weet”. Ze keek Twinkel aan, die op de schouder van de tovenaar met groene oortjes zat te luisteren.

“Maar peettante, ik zie de familie óók nooit en alles wat ik weet van ze is, dat ze denken dat U hier gelukkig bent. Ze weten niet dat ik hier kom en het fijn vind om U te zien. Er is niemand die zulke mooie ijssprookjes maakt als U en dan maakt U ook nog zulke bijzondere muziek…. Maar van binnen bent U gaan bevriezen en U werd zó streng de laatste tijd!          

Er vielen een paar traantjes uit Twinkels oogjes op Tobias neus en hij schudde zijn kop.  Bij peettante waren ook traan tjes gekomen, maar ze lachte toch om Tobias, die verwonderd opkeek, toen hij een geluid hoorde als glasgetinkel.  De tovenaar glimlachte, toen hij zag dat ze niet zo streng was als het leek. Hij maakte zijn jas open en pakte Tobias op. “Wees jij maar een kacheltje voor haar” zei hij en zette hem bij haar op de troon.

De groene ogen van peettante werden groot van schrik, terwijl Tobias zijn pootjes onder zich vouwde. Ze keek met open mond naar het harige beest, toen naar de twee aan haar voeten en kon geen woord uitbrengen. Twinkel begon te gieche len om het grappige gezicht van haar peettante en de tovenaar kreeg pretlichtjes in zijn ogen. Toen gaf ze zich over en haar lach klaterde door de ijsgrot. Of het van het geluid kwam weet niemand, maar de ijs-stangen om haar heen sprongen in stukken uit elkaar.

 10. VROLIJKE GELUIDEN IN DE IJSGROT.

De tralies om de troon van peettante waren nu verdwenen en de ijslaag om haar lichaam kraakte van het schuddebuiken. Twinkel liet zich naar beneden glijden en klom naar boven. Ze pakte het ijspantser vast, dat om de linkerarm van haar peet tante zat en trok het in één keer los. “Zó”, zei ze “nu kunt U het harige beest ook eens aaien” en ze gaf Tobias een zoen op zijn neus.

Peettante bewoog voorzichtig haar arm en een beetje onwennig legde ze haar hand op de rug van Tobias en aaide hem.Voor het eerst klonk het geluid van een spinnende poes door de ijsgrot, het leek wel of het opeens een stukje warmer werd daarbinnen. De tovenaar pakte zijn rugzak en haalde wat eten te voorschijn.

Terwijl ze noten en stukjes appel aten, vertelde Twinkel van het avontuur met de doorn in Tobias’ poot en het gevaarlijke beest dat een losgewaaide tak bleek te zijn. Ze vertelde van haar dineetjes met de eekhoorn in restaurant Beuken burcht en peettante luisterde aandachtig, terwijl ze Tobias aaide. “Kan ik eens komen kijken waar jij woont?” vroeg ze en Twinkel zei: “Oh ja, natuurlijk mag dat, ik woon in de tuin van de tovenaar en hijzelf woont in de toren, helemaal bovenin”.

“Is dat ècht waar?” vroeg peettante, terwijl ze de tovenaar aan keek “kunt U de wolken aanraken?” De tovenaar lachte en zei: “Zó hoog is de toren niet, maar ik heb wel een verrekijker gemaakt, daar mag U een keer doorheen kijken”. Twinkel bracht ondertussen lekkere hapjes naar haar peettante en stopte ze in haar mond. De ijslaag smolt steeds verder naar beneden en het zou niet lang meer duren of peettante’s bips kwam los van de ijsberg.

 11. GLIJBAANTJE SPELEN.

“Wat is een verrekijker?” vroeg peettante, terwijl ze Tobias dichter tegen zich aan knuffelde. “Oh, daar kan je héél ver dingen doorheen zien…. ik kijk meestal naar de maan of als ik een vreemde vogel zie in de verte, kan ik hem daarmee goed bekij ken” antwoordde de tovenaar en hij vertelde hoe hij zijn uitvinding gemaakt had, toen hij bezig was glas te maken in zijn torenvensters.

“Twinkel is een keer omhoog geklommen, langs de klimop aan de buitenkant van de toren, en zó hebben we elkaar ontmoet, hè Twinkel?” zei hij, terwijl hij haar met zijn ogen zocht. “Twinkel, waar ben je?” Nergens was Twinkel te zien, of toch…. dáár, in een van de ramen van een ijspa leis, verscheen het zilverharig hoofdje van Twinkel en zei: “Koekoek”.

En terwijl haar vrienden toekeken, liet ze zich van de paleistrap glijden. Ze roetsjte met een vaartje naar beneden en tolde in het rond. Weer klonk er een lach uit peettante’s mond, het ijspantser om haar benen brak los en ze gleed van haar smeltende troon naar beneden.       Met een gilletje gleed ze, voor de verbaasde ogen van de tove naar, de opening van de rugzak binnen en Tobias keek haar met ronde oogjes na…. Nee, dat was toch geen muis?

Nu schaterlachte de tovenaar en Twinkel kwam nieuwsgierig dichterbij. Het bobbeltje in de rugzak bewoog, er klonken zachte ge luidjes. Even later kwam peettante te voorschijn en schudde zand uit haar haren. “Het ruikt naar het bos hierbinnen, ik rook uilen en denneap pels en paddestoelen en nog veel meer…. wat is dat lang geleden!” Ze ging op haar ont dooide bips zitten en stak haar hand uit naar Twinkel, die blij verrast naast haar kwam zitten.

“Miauw….Miauw….” klonk het van boven op de troon. Tobias zat recht overeind en wilde er ook bij komen. “Glij maar af, Tobias, net als peet tante” zei de tovenaar en hij hield zijn handen klaar om hem op te vangen. Tobias strek te zijn poten voor zich uit, wrig gelde een paar keer heen en weer met zijn achterlijf…. en onder applaus van 4 groene handjes, gleed het harig beest met een plof in de handen van zijn baas. Terwijl ze hem lachend toeriepen, ging hij op zijn katerbips zitten en begon zich hooghartig schoon te likken.  Brrr…. hij hield niet van ijsglijbaantje spelen!

12. VERTREK UIT DE IJSGROT.                                                                                        Elfje Twinkel keek de tovenaar blij aan. Ze zaten nu bij elkaar en peettante was helemaal ontdooid. “Wilt U met ons meegaan, naar buiten?” vroeg ze, terwijl ze de zilveren haren van peettante gladstreek. “U kunt best bij ons wonen in de tuin, als U wilt”. Peettante keek om zich heen en zuchtte diep. “Mijn mooie ijspaleizen…. en mijn muziek, ik wil het wel maar nu nog niet.

Laat mij nog een poosje hier blijven, dan ga ik af en toe naar buiten om te wennen” was haar ant woord. De tovenaar knikte en zei: “ Ik begrijp het wel, als U hier nog een tijdje wilt blijven. Vindt U het goed, als we nog eens langskomen?” Peettante wiebelde met haar tenen en keek hem dankbaar aan. “Dat zou ik fijn vinden en ik wil U bedan ken, jullie alle maal. Ik had niet gedacht dat iemand zó vrien delijk kon zijn”. En weer leek het een beetje warmer te worden in de ijsgrot.

De drie bezoekers maakten zich klaar om te vertrekken. Tobias kroop in de rugzak, hij had er genoeg van om met ijsklompjes te lopen. Elfje Twinkel haalde de knoop uit de baard van de tovenaar, omhelsde haar peettante en beloofde gauw terug te komen. “Ik ga met jullie mee tot de uitgang” zei peettante en samen met Twinkel klom ze op de schouder van de tovenaar.

Met een warm kacheltje op zijn rug stapte hij door de opening van de grot, de gang in en vond even later de fakkels en de tondel doos. Bij het licht daarvan begonnen ze de terugtocht en deze keer was het een gebabbel naast het tovenaars-oor! Tobias, die een dutje probeerde te doen, mopperde tegen de kletskousjes boven zich en miauwde dat ze stil moesten zijn.

De tovenaar was het met hem eens, ook al verstond hij het niet en hij zei: “ Gaan jullie maar ieder aan een kant zitten, dat is beter”. En zo verliep de reis in stilte, op het geluid na van de laarzestappen van de tovenaar. Peettante en Twinkel keken hun oogjes uit naar de ijsgordijnen en de glinstering van het licht op de ijskristallen. Ze staken het bevroren meertje veilig over en passeerden de hoge ruimte, waar het daglicht door een kier in de rotsen naar binnen scheen.

De tondeldoos legde de tovenaar bij de voorraad, maar de brandende fakkels namen ze meer voor het laatste stuk naar de uitgang. Nu zagen ze de wortels van bomen langs de wanden en de grijze glinstering van rotsblokken. Één keer stak het kopje van een muis uit een holletje en keek hen met glimmende oogjes aan.“PIEP!” zei het en vluchtte toen verschrikt weg.

“MIAUWWW?” klonk het slaperig uit de rugzak. Twinkel zei: “Mis poes!” en zag het muizestaartje verdwijnen in het donker. Nu zagen ze een licht schijnsel vóór zich en de trap naar buiten verscheen. “We zijn er” zei de tovenaar “hou je goed vast” en met een paar stappen was hij boven. Het was nog licht en de koude wind blies ijzig om hun oren: de grote van de tovenaar en de kleine van Twinkel en haar peettante. Tobias zat uit de wind, in de rugzak van de tovenaar.

 13. NA EEN LANGE WINTER WORDT HET WEER LENTE.                                      Het bezoek aan Twinkel’s peettante had veel teweeggebracht. Na het vertrek van de bezoekers, was ze alleen teruggegaan naar de ijsgrot. De dagen daarna ging ze steeds langere stukjes buiten wandelen in de winterwereld. Het verschil met haar woning in de heuvel was niet zo groot, in deze tijd van het jaar. Als de zon scheen, verschool ze zich onder de takken van de dennenbomen en langzaam wenden haar ogen weer aan het licht.

Ook samen met haar nieuwe vrienden maakte ze tochtjes. De twee dametjes plaagden Tobias, door hem sneeuw in zijn oren te stoppen, terwijl hij ze op zijn rug droeg.De tovenaar bracht droge bladeren mee, als hij op bezoek kwam en rode appeltjes uit zijn tuin. Samen hadden ze lange gesprekken en peettante liet hem zien hoe ze ijspaleizen maakte.

Het nieuwe jaar vierden ze allemaal bij peettante en voor het eerst brandden er sterretjes in de ijsgrot, waar ze met grote ogen naar hadden zitten kijken. Alleen Tobias vouwde zijn pootjes over zijn kop en wilde er niets van weten. De winter duurde maar…. en duurde maar…. en zelfs peettante verlangde naar de lente.

Januari was voorbij, februari ging voorbij en toen einde lijk…. staken de groene sprietjes van de sneeuwklokjes boven de sneeuw. De zon werd warmer en peettante was nu bijna de hele dag buiten. Langzaam begon de witte wereld te smelten en kwamen de kleuren in de natuur terug: de bruine aarde, het witte zand, voorzichtig wat groen, de gele zonnetjes van het klein hoefblad en het zachte paars van het maarts viooltje.

Peettante zat stil te kijken naar alles wat de lente en de aarde tevoorschijn toverden. De vogels begonnen te zingen en vaak keek ze hen verlangend na.      Op een ochtend, terwijl ze zich op de heuvel zat te warmen in de zon, zag ze in de verte haar nieuwe vrienden aan komen lopen. “Goeiemorgen” riep ze, terwijl ze opstond en zwaaide.

“Goeiemorgen” klonk het terug en de wandelaars begonnen de heuvel te beklimmen.  Wat hadden ze toch allemaal bij zich? De tovenaar trok een karretje achter zich aan, terwijl Tobias met Twinkel voorop liep. “We komen U uitnodigen om te picknicken” riep Twinkel “en de lente te vieren”. Ze liet zich van Tobias glijden en gaf haar peettante een dikke knuffel. Tobias wilde ook meedoen en gaf ze allebei een kopje, zodat ze pardoes omvielen.

Ze giechelden, terwijl ze samen naar de blauwe hemel keken, waar de vogels vlogen met strootjes in hun snavel. Daar kwam nu ook de tovenaar aan, die opgelucht zijn vrachtje neerzette en op de grond neerplofte. “Hè,hè! we zijn er” zei hij en zwijgend keken de vrienden een tijdje om zich heen naar de frisse kleuren terwijl ze de geur van de lente opsnoven.

Een betere picknickplaats konden ze niet bedenken! Het karretje werd uitgepakt en al het lekkers werd uitgestald:  verse eitjes van de witte kippen, die de tovenaar in zijn tuin hield, boterhammen en kaas, honingkoeken met nootjes, frambozensap en kristalwater.

De tovenaar haalde een pakje tevoor schijn met vissestaarten en legde dit voor Tobias neer. Vrolijk begonnen ze aan het feestmaal. Twinkel verstopte zich in een lege eierdop en deed of ze een vogeltje was, dat uit het ei kroop. Peettante kroop in een gaatje van de kaas en piepte als een muis. De tovenaar gooide nootjes in de lucht en ving ze op in zijn mond.

En Tobias? Die lag tevreden te slapen in de zon. Toen ze hun buikjes rond hadden gegeten en moe waren geworden van het lachen, deden ze ook een dutje en op de heuvel klonk enkel nog het gezang van vogels. Peet tante droomde van het vogelnest, waar ze als kind woonde, hoog in de boom.

Ze droomde van de eerste keer dat ze vanaf de rand de blauwe hemel tegemoet vloog.    Ze werd met een glimlach wakker en voelde zich alsof ze weer op de rand van het nest stond. Ze zag dat de anderen nog sliepen, liep zachtjes naar een steen en klom er bovenop. Het kriebelde op haar rug, het leek of daar nog een laagje ijs aan het smelten was!

Met kloppend hartje stond ze daar en voelde een verlangen, dat ze heel lang kwijt was geweest. Langzaam ontvouwde zich iets achter haar rug en toen begreep ze het. Ze haalde diep adem, keek naar de blauwe hemel en….. dáár ging ze. Peettante vloog! Eerst nog een beetje onwennig, maar al gauw ging het hoger en zag ze de groene heuvel beneden zich. Heerlijk was het! Ze ging in duikvlucht naar beneden en hing met trillende vleugels vlak boven het hoofd van haar petekind.

Ze trok zachtjes aan Twinkels neus, vloog toen naar Tobias en trok hem aan zijn oor. Twinkel opende haar oogjes en zat meteen recht overeind. “Peettante, U bent een twaalfje!” riep ze verrast en ze keek bewonderend naar de prachtige doorschij nende vleugels. “Oh Twinkel, ik ben zó blij” riep peettante en ze vloog trots een rondje om de top van de heuvel. Twinkel zag dat de tovenaar nog sliep en trok hem aan zijn baard. “Wakker worden, peettante is een twaalfje” riep Twinkel in zijn oor. De tovenaar schrok wakker en keek verbaasd rond.

“Hè, wat?” zei hij slaperig en toen zag hij het twaalfje. “Alsjemenou!” was het enige dat hij kon uitbrengen en volgde het gevleugelde wezentje met zijn ogen.“Ik heb mijn vleugels weer terug” riep peettante vrolijk en ze maakte een glijvlucht vlak voor hem langs. Een paar blauwe en twee paar groene ogen keken bewonde- rend naar peettante, die nu neerdaalde op een steen.

De vleugels van het Twaalfje trilden en glinsterden in de voorjaarszon. Peettante’s ogen straalden en ze zei: “Dank jullie wel, voor deze onverge telijke dag!” Nu weet ik dat ik niet meer bang hoef te zijn voor de zon en vandaag zal ik met jullie meegaan, als jullie dat nog steeds willen”. De stralende ogen die haar aankeken gaven het antwoord en zó vertrok peettante voorgoed met haar vrienden naar haar nieuwe woning: de tuin van de tovenaar, waar de lente weer nieuw leven bracht na een lange winter.

Lady Butterfly

De waarheid ontmoeten als een vriend, waarom… en.. hoe doe je dat?

Het is gebruikelijk, gezien vanuit de houding in moderne Westerse samenlevingen, om “ongemakkelijk voelen” weg te duwen en te compenseren of sublimeren. Met andere woorden, een ander plaatje schuiven voor het lelijke of pijnlijke plaatje.”Oh, alles is goed hoor…” zeggen we soms, terwijl we van binnen in de war zijn. In Engeland is het nog een graadje erger, daar kunnen ze er wat van, gevoelens wegduwen en de schijn ophouden. Schaamte en beleefdheid zijn een rare mix in de houding naar elkaar, zodat openheid en zeggen hoe het is heel lastig zijn. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer, dus omgaan met dat verschil t.o.v. Nederland is een acrobatiek cursus. Of liever, tap dance!

Als we op een punt komen, door een ervaring die diep indruk maakt bijv. dat we het aandurven om werkelijk te kijken naar dat lelijke of pijnlijke plaatje, kunnen we er een relatie mee aangaan en ons ertoe gaan verhouden: wat heeft het te zeggen, waarom laat het zich zien? Kortom, wat moet of kan ik ermee?

Geen nare gevoelens meer wegduwen helpt om ze voorgoed achter te laten, als je ze beschouwt als wegwijzers. Zodra ik me de vraag eerlijk stel, waar die wegwijzer naar toe wijst, komt het antwoord geleidelijk of snel boven drijven, soms op een onverwacht moment of tijdens een ervaring die de trigger vormt  in het vinden van een antwoord.

Al die tijd is er bereidheid in mij, om wat pijnlijk of ongemakkelijk voelt eerlijk aan te kijken en de sensaties in mijn lichaam waar te nemen, het mee te laten doen in het toelaten van gevoelens en in het vinden van het antwoord. Ook in het expressie geven eraan, op allerlei manieren. Creatief, via stem of dans, of schrijven, tekenen…. kortom, er zijn vele manieren om dat te doen.

Mijn lichaam vertelt me een heleboel, over mijn voedingswijze en bewegingsvrijheid, signalen van “teveel op mijn schouders” of een overmaat aan mentale activiteit. Het kan simpelweg buikkramp zijn vanwege een ongewone maaltijd, of hoofdpijn na veel indrukken. Soms ook door een beheersing van emoties die geen uitweg vinden en spanningshoofdpijn veroorzaken.

Ik kan kiezen om die bereidheid te hebben, te leren luisteren, door voor de taal van zintuigen en lichaamstaal open te staan. In alle hoeken en gaten van mijn leven. Het betekent zeggenschap hebben over je leven en dat is in essentie vrijheid, zoals ik het zie.

Als het “gesprokene” pijnlijk is, of confronterend, zodat ik instinctief in de ontkenning ga, kan ik met mijn gezond verstand besluiten er toch naar te kijken en dat, wat als “lading” erin aanwezig is, aan te kijken. Het verhaal erin te durven zien en leren doorgronden, mettertijd. Wat is er te zien in de spiegel die een ander me voorhoudt, of een deel van mezelf, als ik eerlijk durf te zijn?

Of als het begrip niet komt, de aanvaarding daarvan te vinden in mezelf, dat het is wat het is, in mijn leven nu. Sommige dingen kunnen beter een poosje sudderen. Het is een wijs gezegde “Slaap er wat nachtjes over”

Hoe meer inkijkjes ik heb in mijn eigen binnenwereld, hoe meer zeggenschap ik heb over hoe ik omga met wat er in mijn uiterlijke leven gebeurt en hoe ik het vormgeef, ook samen met anderen. Het verlaten van instinctieve reacties en het besef van het recht, de mogelijkheid van een keuze, maakt dat ik zelf aan het stuur ga staan. Inclusief het besef van beheer over mijn levensenergie en omstandigheden.  Wie ben ik? Voor wie wil ik zijn?

In die openheid zit aanvaarding dat ik mijn werkelijkheid zelf vorm geef. En daarmee ook mijn lijden. Niet als een taak, maar als een vrijheid in het omgaan ermee. Wanneer we onder invloed van strenge normen en oordelen leven, zijn we zowel zelf onderhevig daaraan, als dat we anderen bekijken vanuit die levensstandaard.

Dat is soms een harde noot om te kraken en langzaam leer ik om dat kraken te veranderen in een blijheid om het dagen van waarheid, van wie ik ben. Zeker als een ander betrokken is bij dat proces, is afstemming en zorg voor juiste timing, het respect voor de zelfwerkzaamheid van degene die aan het werk is om iets over zichzelf te doorgronden of op te klaren, waardevol. Inzicht is waarheid als het zelf verworven is.

De Vietnamese leraar Thich Nhat Hanh heeft een mooi advies “Neem je lijden bij de hand”. Waarmee ik niet doel op lijden als doel of voorwaarde van leven. Voor mij is hij iemand die compassie heel goed doorgrond heeft.

Die “overgave” om te aanvaarden dat ik het zelf ben die in al die fratsen, conclusies en gevoelens aanwezig is, is wat ik noem “de waarheid als een vriend ontmoeten”. De pagina “Out of the blue…” hier, geeft een voorbeeld daarvan, die pagina is verbonden met dit wat ik hier schrijf.

Wat betreft het spel op het wereldtoneel.

Het omgaan met de waarheid vinden en werkelijk weten, omtrent de spelers en hun script op het wereldtoneel, was voor mij aan de orde in 2009, toen ik Zeitgeist ging volgen, voor het eerst de woorden “conspiracy” of “whistleblower” horend. Langzamerhand vielen de puzzelstukjes op hun plek en bewoog ik me van verbazing naar afgrijzen en van afgrijzen naar me afvragen of het waar was, vaststellen dat het waar was en vervolgens, mezelf vragen “Wat me te doen staat nu is verantwoordelijkheid nemen voor dit weten en een vorm kiezen waarmee ik de energie kan kanaliseren die dit weten me brengt, inclusief de boosheid, onrust en verdriet. Ik besloot om transcripts te schrijven voor een project dat  interviews organiseerde met klokkeluiders. In het Engels uitgeschreven tekst, die vertaal – teams verder konden uitwerken in diverse talen. Zodat de informatie toegankelijk was voor Engels-Spaans-Frans-Russisch en Chinees sprekende lezers. O.a.

Dat werkte prima en doet het nog tot de dag van vandaag. Zo nu en dan vertaal ik documenten voor vrienden, in het Engels. Wat betreft het weten van wat achter de schermen bekokstoofd wordt, zodra je de waarheid van wat je weet bewust erkent en dit ook ten dienste stelt aan anderen, voorkom je bevriezing en depressie, innerlijk. Het is niet bevordelijk voor de gemoedsrust om er alleen mee te leven, zonder deelgenoten te hebben. Voor mij is dat een besef, opgedaan door ervaring.

Het onderscheiden wat ik vertel aan wie is daarnaast een oefening die ook energie vraagt, vooral in het begin wat dat het geval. Met de nodige negatieve reacties en ontkenning soms. Oefening baart kunst, zowel in timing van spreken als in kalmte of vrede te ZIJN, zonder in actie te springen. Zonder te willen dat anderen ook moeten weten wat ik weet. Dat is een goeie om in gedachten te houden. In elk geval voor mij, met mijn neiging om te redden en als luide sprekerd soms, op mijn sinasappelkrat in de Levensstraat 😉